Nieuwsupdate oktober 2020

Wilt u in de toekomst ook de nieuwsupdate van TvO ontvangen? Vul dan in de rechterkolom uw gegevens gelijk in!


Actueel

Countermanding

Dat tenenkrommende moment dat Rutte nét had uitgelegd dat we geen handen meer moesten schudden. En dan nog een beetje lollig met z’n ellebogen zwaait om zich vervolgens om te keren naar zijn medeminister om deze hartelijk bij de hand te grijpen. “Oh nee, haha dat moet natuurlijk niet!” zie je hem nog gebaren. “Haha, tjonge, nou zeg, sorry hoor.” Hij klopt de man verontschuldigend op de schouder. “Oh! Nou ja, haha”, om het geheel af te sluiten met een geruststellend kneep in de andere schouder: “Ha! Nou he, kerel?” Om maar niet te spreken van minister Grapperhaus, die na het geven van ettelijke masker- en anderhalve-meterinstructies zelf een gezellig fuifje geeft waar naleving van die mooie regels ver te zoeken was.

Het is natuurlijk ook extra moeilijk voor politici om het handenschudden af te leren, dat begrijp ik best. Het is voor ons allemaal automatisch gedrag, maar voor hen is het echt een reflex: oppositieleider? Handenschudden! Kind met tekening? Handenschudden. Woedende menigte? Nou ja, u ziet waar ik heen wil.

Degenen onder u die wel eens iets met psychometrie gedaan hebben, zijn vast bekend met het begrip countermanding: het tegengaan van een gedragsimpuls. Je hebt bijvoorbeeld van die testen waar je op een knopje moet drukken als je een cirkeltje ziet. In die situatie moet jezelf dus tegenhouden als je bij het zien van een vierkantje toch wilt drukken. Dat ‘tegenhouden’ is een vorm van countermanding. Vaak wordt de taak dan even later aangepast en moet je juist wél drukken bij een vierkantje en níet bij een rondje. Het onderdrukken van zo’n aangeleerde impuls is weer een andere vorm van countermanding en de hele test dient om flexibiliteit te meten.

Ikzelf kwam er voor het eerst mee in aanraking toen ik me bezighield met oogbewegingen. Wij keken naar de elektrofysiologie van de totstandkoming van zo’n beweging, en dus ook naar hoe zo’n countermanding-signaal werkt. Zijn bijvoorbeeld de signalen voor de beweging al gegeven en moeten die stop worden gezet? Of moet er een andere, tegengestelde beweging ingezet worden? Of misschien wel allebei? En hoe zit dat dan op moleculair elektrisch niveau? Moet je één neuron stilleggen of een heleboel? Schakel je een punt uit waarop alle signalen samenkomen, of is de interpretatie van dat signaal misschien aan te passen? Hoe signaleer je überhaupt ‘stop’ als je communicatiemogelijkheden zich beperken tot het wel of niet (door)geven van een elektrische puls?

Even interessant als het Rutte-fenomeen is het gevoel van ‘Hoe! Ha! Pas op!’ dat je hebt wanneer je nu beelden ziet van mensen die dicht op elkaar gepropt staan of elkaar onbezorgd lopen te omhelzen en zoenen. Of ben ik de enige die dat heeft? Het verbaast me in elk geval hoe snel zich kennelijk bij mij een ‘oe, fout’-reflex heeft ontwikkeld. Fascinerend ook hoe snel dat afleren van je eigen gedrag gaat. Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik geef echt niet meer zomaar iemand een hand.

Maar heb ik dan gedrag afgeleerd of countermanding aangeleerd? Ik verwacht eigenlijk allebei. En zou het even snel gaan? Is het ene proces een functie van het andere of zouden het parallelle processen zijn? Hoeveel countermanding-processen hebben wij nog lopen in ons brein voor gedrag dat we eigenlijk nooit meer vertonen? Nog een tandje erger: zouden die rondspokende countermanding-processen ook interfereren met gedrag dat wij proberen te meten? En hoe kom je daar überhaupt achter? Wat zegt u? Ja, ik word ook wel eens moe van mezelf.

Het wordt trouwens pas echt leuk wanneer deze coronatoestand voorbij is. Als we dan weer uitgebreid gaan handen schudden en zoenen (en het is natuurlijk de vraag of dat wel wenselijk is), gaan we dus ‘counter-countermanden’. Jahaa… dan ben ik maar weer blij dat ik niet meer hoef uit te plussen hoe zoiets elektrofysiologisch in elkaar zit.

Eén ding is wel zeker. Het gaat vast prachtige televisie opleveren. Met allerhande dansjes van onze politici: “Ha! Oei!, Oh nee toch wel, toch niet.” Weer eens wat anders dan gangnam style.

Josien de Bie behaalde haar Master in Biologie aan de Universiteit van Groningen en haar PhD in Neurowetenschap in Sydney. Ze is wetenschapscommunicator, jazz zangeres, stand-up comedian, oprichtster van genderbrain.com en een woesteling in het de-bunken van gendermythes. Zij schrijft columns over haar bezigheden.


‘Meidenwerk’ ondersteunt kwetsbare meiden bij het zelf vormgeven van hun leven

‘Meidenwerk’ werkt. Dat blijkt uit promotie-onderzoek van Cynthia Boomkens naar deze specifieke methodiek in het jongerenwerk, die meiden tussen de 10 en 23 jaar in kwetsbare situaties moet ondersteunen bij hun identiteitsontwikkeling. ‘Meidenwerk’ draagt eraan bij dat kwetsbare meisjes beter weten wat zij willen in hun leven.

‘Meidenwerk’ kent een lange traditie in het jongerenwerk. Maar wat doen jongerenwerkers precies en waaraan draagt de methodiek bij, was de vraag vanuit jongerenorganisaties? Boomkens pakte die vraag op en evalueert in haar promotieonderzoek de methodiek en onderzoekt of en hoe Meidenwerk meiden in kwetsbare situaties ondersteunt bij het zelf vorm (kunnen) geven aan het eigen leven. Ze verdedigt haar proefschrift Supporting Vulnerable Girls in Shaping their Lives op vrijdag 23 oktober aan Tilburg University.

Hulp nodig
Meisjes in de leeftijd van 10 tot 23 jaar ontwikkelen een (volwassen) identiteit. Hoewel de meesten hierbij geen steun van professionals nodig hebben, heeft een grote en groeiende groep meiden die hulp wel nodig. Deze meiden zijn kwetsbaarder dan anderen omdat zij er alleen voor staan, hun problemen te groot zijn, omdat hun eigen netwerk te weinig steun biedt. Om hen (extra) te ondersteunen bieden veel jongerenwerkorganisaties in Nederland Meidenwerk aan.

Aanpak
De promovenda voerde daartoe verschillende studies uit. Allereerst onderzocht ze wat de theoretische onderbouwing van het meidenwerk is. Vervolgens zocht ze naar een empirische onderbouwing door 393 meiden te vragen naar hun bevindingen met Meidenwerk. Tot slot werd, met een creatief onderzoeksinstrument, onderzocht wat de rol is van de omgeving van meiden bij het zelf vorm (kunnen) geven aan het eigen leven.

Partners
Het onderzoek is gedaan in een partnership met acht jongerenwerkorganisaties door heel Nederland in casu Combiwel, ContourdeTwern, Dock, Dynamo, Jongerenwerk Utrecht, Participe, Stichting Jeugd en Jongerenwerk Midden Holland en Streetcornerwork. Per organisatie werkten twee ervaren meidenwerkers mee aan het onderzoek in een zogenaamde masterclass en daarnaast twee meiden per organisatie in de ‘meidengroep’. Samen werden onderzoeksvragen opgesteld, methoden ontwikkeld en resultaten besproken.

Bevindingen
Boomkens concludeert dat Meidenwerk bijdraagt aan de manier waarop meisjes hun eigen leven vormgeven, vooral op het stellen van intenties. De bevindingen zijn vertaald naar een model, waarin de methodiek van het meidenwerk zowel theoretisch als empirisch onderbouwd wordt. Jongerenwerkers kunnen hiermee de kwaliteit en professionalisering van het meidenwerk aantonen en versterken.

Cynthia Boomkens (Hilversum, 1989) studeerde Sociaal Pedagogische Hulpverlening aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA) en daarna Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt sinds 2011 als docent-onderzoeker aan de HvA bij de opleiding Sociaal Pedagogisch Hulpverlening (binnenkort Social Work) en tussen 2014 en 2019 was zij betrokken bij het lectoraat Youth Spot. Haar promotie-onderzoek voerde ze sinds 2017 uit bij de Academische Werkplaats Sociaal Werk van Tranzo aan Tilburg University. Boomkens verdedigt haar proefschrift, getiteld ‘Supporting Vulnerable Girls in Shaping their Lives. Towards a substantiated method for Girls Work’, Promotoren: prof. dr. Tine van Regenmortel en prof. dr. René Schalk (Tranzo, Tilburg School of Social and Behavioral Sciences). Nadere informatie: c.boomkens@hva.nl.

Bron: GGZnieuws


Vragenlijst werkt goed in het herkennen van angst en depressie bij kinderen

De vragenlijst Revised Child Anxiety and Depression Scale (RCADS) werkt goed in het herkennen van angst en depressie bij kinderen. Dit blijkt uit onderzoek van GGD Amsterdam in samenwerking met Amsterdam UMC (afdeling Public and Occupational Health, sectie Jeugd en Gezondheid) en de VU (afdeling Klinische, Neuro- en Ontwikkelingspsychologie).

Bijna 70.000 kinderen hebben meegewerkt aan het onderzoek. Deze kinderen waren 8 tot en met 18 jaar oud. Zij vulden de vragenlijst in op basisscholen, middelbare scholen en MBO’s in heel Nederland.

Herkennen van angst en depressie bij kinderen
Verschillende korte versies van de RCADS-vragenlijst zijn met elkaar vergeleken. De versie met 22 vragen blijkt het beste te werken. Het gaat om 15 vragen over angst en 7 vragen over depressie.

Vanaf schooljaar 2020-2021 zal de versie met 22 vragen worden gebruikt. Op basisscholen in Amsterdam en Amstelland zit de vragenlijst in het leerlingvolgsysteem Hart & Ziel. Op middelbare scholen is de lijst onderdeel van de landelijke gezondheidsvragenlijst Jij en Je Gezondheid.


Bron: Nedkad


'Structuurelementen' vergroten succes interventies

Elementen die betrekking hebben op de structuur van een interventie, zoals regelmatig contact met de cliënt, kunnen het succes van interventies vergroten. Dat blijkt uit een onderzoek naar acht veelgebruikte jeugdinterventies, uitgevoerd door het onderzoeksconsortium Multiprobleemgezinnen en zware opvoedproblemen.

De onderzoekers bekeken acht veelgebruikte interventies voor gezinnen met veel problemen en kinderen met ernstige opvoedproblemen. De interventies vertonen veel overlap in hun inhoudelijke elementen. Ze gebruiken bijvoorbeeld time-outs, inventariseren de problemen in het gezin en bepalen samen met ouders de doelen van de hulp. Ook zijn de interventies ongeveer even effectief.

Uit het onderzoek blijkt dat vooral 'structuurelementen' bepalend zijn voor het succes van de interventies. Dat zijn bijvoorbeeld goede intervisie en regelmatig contact onderhouden met het gezin. Die elementen zijn niet altijd opgenomen in de handleidingen van de interventies. De onderzoekers adviseren deze elementen nadrukkelijk onderdeel te maken van de interventies.

De interventies bevatten voldoende effectieve elementen, concluderen de onderzoekers. Het is daarom niet nodig om nieuwe interventies te ontwikkelen.

De onderzochte interventies zijn Multidimensionele Familietherapie (MFT), Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG), Parent Management Training Oregon (PMTO), Positief Pedagogisch Programma (Triple P), Multisysteemtherapie (MST), 10 Voor Toekomst, Families First en Gezin Centraal.


Bron: NJI


Middelengebruik scholieren daalt niet meer

Na een jarenlange daling is het middelengebruik onder scholieren gestabiliseerd. Dat blijkt uit het rapport 'Jeugd en riskant gedrag' van het Trimbos-instituut, waarvoor 8.000 leerlingen tussen de 12 en 16 jaar zijn ondervraagd.

Het aantal scholieren dat tussen 2017 en 2019 ooit gerookt heeft, bleef stabiel (17 procent). Het percentage leerlingen dat in dezelfde periode ooit alcohol dronk (47 procent) of cannabis gebruikte (9 procent) is ook onveranderd. Het gebruik van XTC, cocaïne, amfetamine en paddo's bleef met iets meer dan 1 procent eveneens stabiel.

De gestagneerde daling in het gebruik van alcohol en tabak onderstreept volgens het Trimbos-instituut de noodzaak van preventiebeleid. Daarbij geeft IJsland het goede voorbeeld, vertelt Iryna Batyreva van het Nederlands Jeugdinstituut. 'IJsland hanteert al twintig jaar een preventieve aanpak, waardoor het middelengebruik onder jongeren is gedaald. Sterker nog, de IJslandse jongeren behoren nu tot de minst gebruikende jongeren in Europa.'

De aanpak is gericht op het versterken van de beschermende factoren in het leven van jongeren, zegt Batyreva. 'Als je investeert in hun welbevinden, gaan jongeren veel later of helemaal niet experimenteren met verslavende middelen.'

Batyreva is betrokken bij een leertraject van het Nederlands Jeugdinstituut, het Trimbos-instituut en het Icelandic Centre for Social Research and Analysis, om de IJslandse aanpak te verkennen. 'Samen met Amersfoort, Hardenberg, het samenwerkingsverband Kempengemeenten, Súdwest-Fryslân, Texel en Urk zijn we aan het onderzoeken hoe we de IJslandse aanpak in Nederlandse gemeenten kunnen toepassen.'


Bron : NJI

Jongeren die gamen met vrienden bouwen sterkere banden op

Games kunnen een belangrijke rol spelen in de aanpak van eenzaamheid onder adolescenten. Door samen videogames te spelen, kunnen ze diepere vriendschapsbanden opbouwen. Dat blijkt uit onderzoek van gedragspsycholoog Geert Verheijen, die op 13 oktober promoveert aan de Radboud Universiteit. Wel kan het alleen spelen van games soms juist het gevoel van eenzaamheid versterken.

De overgrote meerderheid van de jongeren speelt regelmatig games, in Nederland gemiddeld zelfs zo’n 14 uur per week. Toch bestaat vaak nog het idee dat gamers antisociale, eenzame types zijn. ‘Veel onderzoek tot nu toe gaat er vanuit dat de hoeveelheid schermtijd het sociale welzijn van jongeren bepaalt. Uit mijn onderzoek blijkt echter dat dat geen goede indicator is, en dat het veel meer uitmaakt in wat voor context adolescenten spelen,’ aldus Verheijen.

Vriendschap en eenzaamheid
Tijdens een van de studies werden adolescenten gefilmd terwijl ze het racespel Mario Kart op één van drie manieren speelden: alleen, competitief, of samenwerkend met een vriend. Verheijen: ‘Wanneer vrienden veel positief en prosociaal gedrag lieten zien, leidde dit tot een betere vriendschap, ook bij een competitief spel. Uiteindelijk bleek dat de interactie tussen spelers het belangrijkst was voor de kwaliteit van de vriendschap, en niet het speltype dat gespeeld werd.’

Games kunnen daarnaast een waardevol middel tegen eenzaamheid zijn. In sommige situaties kan het echter ook eenzaamheid versterken. Verheijen volgde zo’n 600 jongeren voor een periode van drie jaar, waaruit bleek dat eenzaamheid toenam bij gamers die vooral alleen speelden. ‘Bij jongeren die vooral alleen gamen, zagen we stijgende eenzaamheid. Maar adolescenten die vooral samen met anderen spelen, waren consistent minder eenzaam, zowel op de korte als lange termijn.’

Desalniettemin kunnen games die alleen gespeeld worden ook waardevol zijn in een sociale context. Verheijen: ‘Videogames zijn onderdeel geworden van de jongerencultuur. Ze worden op het schoolplein onderling besproken, dus het helpt kinderen als ze daarover kunnen meepraten. Als ouders kinderen verbieden om games te spelen, is de kans juist groter dat ze buiten een vriendengroep vallen.’

Geweld
Veel ouders zijn bang dat gewelddadige spellen kunnen leiden tot agressiever gedrag bij hun kinderen, maar ook daar zet Verheijen een kanttekening bij. ‘We volgden tweetallen vrienden een jaar lang, en hielden bij hoeveel ze werden blootgesteld aan gewelddadige games. Het blijkt dat als jongens een beste vriend hebben die veel van dit soort spellen speelt, zij zelf agressiever worden. Het gamegedrag van de beste vriend bepaalt dus eventueel agressief gedrag van de adolescent. Dat suggereert dat niet de game zelf, maar juist de interacties die daaruit tussen de beste vrienden volgen de agressie verhogen, al moet dat nog verder onderzocht worden.’

Volgens Verheijen is het belangrijk dat ook bij toekomstig onderzoek naar games naar de sociale context wordt gekeken. ‘Onderzoek naar games draait nu nog vaak om uren en schermtijd, maar het gedrag rondom games is veel complexer dan dat. Het maakt enorm uit met wie en op welke manier games gespeeld worden. Er is geen simpel antwoord op de vraag of games goed of slecht zijn. Wel lijken videogames, net als films en boeken, een belangrijk middel om mensen met elkaar te verbinden. Dat wordt nu nog vaak onderschat. Alleen door die sociale context te erkennen, wordt de bredere impact van games op het welzijn van jongeren duidelijk.’

Bron: ru.nl

Nieuwsbrief

Vul uw e-mailadres in en ontvang onze nieuwsbrief.