Nieuwsupdate december 2020

Wilt u in de toekomst ook de nieuwsupdate van TvO ontvangen? Vul dan in de rechterkolom uw gegevens gelijk in!


Actueel

Tomativatie

Ik heb een biologisch fenomeen op mijn balkon. Een tijd geleden plantte ik in twee identieke bakken, met identieke aarde, een handje identieke tomatenzaden. Niet zozeer uit experimentele ambities in het horticulturele, maar meer wegens mijn eenvormige aankoop- en plantgewoontes. De plantjes kwamen ongeveer gelijk op, maar na verloop van tijd bleek dat de plantjes in de linkerbak niet verder wilden groeien. Wat ik ook deed aan water geven, pokon voeren en bestraffend toespreken, het mocht niet baten. De planten uit de rechterbak groeiden zo enthousiast dat ik ze heb moeten verpotten en ze bedragen nu meer dan de helft van het vruchtdragend struikgewas op mijn balkon. Er zitten zelfs tomaten aan! Het plukje plantjes in de linkerbak vindt vijf centimeter en een paar blaadjes kennelijk voldoende en daar blijven ze bij.

De wetenschap staat voor een raadsel. Deze bioloog in elk geval wel. Nu ben ik mij onlangs gaan verdiepen in schematherapie. Ik kreeg het boekje Patronen doorbreken van een vriendin. (Ik heb trouwens gewoon ‘dankjewel’ gezegd en niet ‘hoezo’, want zo ben ik). Het blijkt hartstikke interessante kost. Hoewel het schemamodusmodel oorspronkelijk ontwikkeld is voor narcistische en borderline persoonlijkheidsstoornissen, is het nu zodanig aangepast dat het ook handvatten kan geven bij andere problematiek.

Schematherapie benoemt een aantal kindmodi (ongewenste, ‘kinderachtige’ gedragingen en gevoelens ten opzichte van anderen), oudermodi (ongewenste, overdreven gedragingen en gevoelens ten opzichte van jezelf) en soorten schema’s waarin die voorkomen. Zo’n schema kan bijvoorbeeld zijn ‘Mislukken’: de overtuiging dat je in verhouding tot leeftijdgenoten mislukt bent, of ‘Grootsheid’: de overtuiging dat je superieur bent aan anderen. Maar ook ‘Onvoldoende zelfcontrole/zelfdiscipline’: het onvoldoende willen uitoefenen van zelfdiscipline om persoonlijke doelen te bereiken. Daar keek ik van op. Chronisch uitstelgedrag en gebrek aan intrinsieke motivatie kan dus kennelijk gezien worden als een ‘onaangepast’ gedragsschema. Wat betekent dat voor onze aannames over leerbaarheid van zelfdiscipline?

Mijn tomaten zijn eigenlijk de perfecte metafoor. De omstandigheden zijn aantoonbaar aanwezig om zo’n plant weelderig te doen groeien en toch heb ik een hele bak met underachievers en nietsnutten. Hoe kan het toch dat sommigen onder ons schijnbaar worden geboren met intrinsieke motivatie en zelfdiscipline, en anderen er volledig van gespeend blijven? Vanaf welke leeftijd zou zo’n aanleg voor motivatie te detecteren zijn? En kun je, als je de aanleg mist, discipline en motivatie eigenlijk ooit nog aanleren?

Het is niet ongebruikelijk om mensen met disciplineproblemen dood te gooien met boeken als Getting things done en The 7 habits of highly effective people, waarin resp. David Allen en Stephen Covey eigenlijk ook niet veel verder komen dan: ‘Wees gedisciplineerd’ en ‘Wil je iets uitstellen, doe dat dan niet’. Die nieuwe schematherapeutische invalshoek zou best eens nieuwe inzichten kunnen bieden in hoe disciplineproblematiek aan te pakken is. De focus zou bijvoorbeeld kunnen verschuiven van de instructieve aanpak van Covey en kornuiten, naar een studie van de oorzaken van ongedisciplineerd gedrag. Lijkt mij dan, maar wie ben ik?

Maar goed, ondertussen kijk ik nog elke ochtend tegen een pot vol recalcitrante steeltjes en blaadjes aan waar groei noch bloem aan zit. Laat staan dat er een tomaat te bekennen is. Ik begin het onderhand persoonlijk op te vatten. Waar heb ik toch gefaald? Is er een beperkende factor die ik over het hoofd zie? Vinden mijn eigen planten mij gewoon niet aardig en weigeren ze uit pure misantropie verder de grond uit te komen?

Nou ja, wellicht kan iemand binnenkort werken aan een nieuwe toepassing van schematherapie die uitkomst kan bieden bij het onbedoeld kweken van menshatende tomaten.

Josien de Bie behaalde haar Master in Biologie aan de Universiteit van Groningen en haar PhD in Neurowetenschap in Sydney. Ze is wetenschapscommunicator, jazz zangeres, stand-up comedian, oprichtster van genderbrain.com en een woesteling in het de-bunken van gendermythes. Zij schrijft columns over haar bezigheden.


Emotionele mishandeling sterk gerelateerd aan posttraumatische stressklachten

Kinderen en jongeren die het slachtoffer zijn van emotionele mishandeling door hun ouders, melden doorgaans ernstige posttraumatische stressklachten. Die klachten zijn gemiddeld genomen zelfs erger dan na andere vormen van kindermishandeling, zoals fysieke mishandeling. Dat blijkt uit onderzoek door Leidse psychologen. Publicatie in Child Abuse & Neglect.

Bent u opgegroeid in een veilig en warm gezin? Dat geldt helaas niet voor zo’n 25 procent van de Nederlandse kinderen, want zij geven aan een vorm van kindermishandeling te hebben ervaren. Dat kan bijvoorbeeld gaan om seksueel misbruik, fysieke mishandeling, verwaarlozing of emotionele mishandeling. Deze laatste groep kinderen wordt thuis mishandeld door hun ouders of verzorgers, maar dan met woorden in plaats van klappen. Zo worden ze bijvoorbeeld uitgescholden of gekleineerd.

Verschil in traumatische klachten
Onderzoekers van de Universiteit Leiden en de Leidse GGZ-instelling Rivierduinen onderzochten of de ernst van de posttraumatische klachten bij jongeren afhankelijk is van de mate van mishandeling die ze hebben meegemaakt. Uit het onderzoek blijkt dat kinderen en jongeren die het slachtoffer zijn van emotionele mishandeling door hun ouders, doorgaans de ernstigste posttraumatische stress klachten melden. Die klachten zijn dus sterker dan bij slachtoffers van andere typen mishandeling, waaronder fysieke mishandeling en verwaarlozing. Dit bleek ook te gelden voor jongeren die zich met een heel ander trauma aanmeldden. ‘Zo kan een kind bijvoorbeeld komen voor een traumabehandeling na een auto-ongeluk, maar kan de emotionele mishandeling die thuis gaande is een grote rol spelen in de ernst van de traumaklachten,’ zegt hoogleraar Bernet Elzinga, hoofdonderzoeker van de studie.

De onderzoekers kwamen tot deze conclusie na onderzoek onder 287 jongeren die zich voor een traumabehandeling hadden aangemeld bij de ggz-instelling. De jongeren waren gemiddeld zo’n 15 à 16 jaar oud. Zij vulden bij aanvang van de behandeling een vragenlijst in waarin ze onder meer meldden of, en zo ja wat voor type trauma en mishandeling zij hebben ervaren. Daarnaast beantwoordden ze vragen over hun psychische klachten, waaronder posttraumatische stressklachten. Iets minder dan de helft van deze jongeren beantwoordde zes en twaalf maanden later nogmaals deze vragenlijst om te meten of de behandeling aanslaat.

Consequent meer klachten
‘Hieruit bleek dat de posttraumatische stressklachten inderdaad afnamen door de behandeling,’ zegt Chris Hoeboer, psycholoog en eerste auteur van het artikel dat aanvankelijk zijn masterscriptie was. ‘Dat geldt ook voor de jongeren die emotioneel zijn mishandeld. Tegelijkertijd bleek wel dat deze laatste groep consequent meer traumaklachten rapporteerde dan kinderen met andersoortige mishandelingen, ook na behandeling.’

De onderzoekers hopen dat er met dit onderzoek meer aandacht komt voor kinderen die te maken hebben met emotionele mishandeling, een groep die enigszins onderbelicht blijft in vergelijking met slachtoffers van bijvoorbeeld fysieke of seksuele mishandeling. ‘Het is belangrijk dat behandelaars de kinderen goed uitvragen over hun thuissituatie en dat ouders meer betrokken worden bij de behandeling en voorzien worden van goede informatie.’

Ouders helpen
Daarbij moeten we volgens de onderzoekers goed in het achterhoofd houden dat de ouders of verzorgers van emotioneel mishandelde kinderen lang niet altijd het slechtste voorhebben met hun kind. In veel gevallen hebben deze ouders zelf ook problemen, en hebben ze geen idee hoe groot de impact van kwetsende opmerkingen kan zijn. Wil je kindermishandeling voorkomen, dan zal je ouders hier dus goed over moeten voorlichten en helpen om beter om te gaan met hun eigen onmacht en onvermogen. Hoeboer: ‘Soms is het goed als niet alleen het kind in therapie gaat, maar ook de ouders.’

Bron: GGZnieuws


'Basisschoolleerling boekte weinig vooruitgang'

Nederlandse basisschoolleerlingen uit de groepen 4 tot en met 7 boekten weinig tot geen vooruitgang tijdens de periode dat de scholen gesloten waren vanwege coronamaatregelen. Dit concluderen onderzoekers van Oxford University na een analyse van toetsresultaten van circa 15 procent van de basisscholen.

De onderzoekers analyseerden de resultaten van de Cito-toetsen die dit jaar zijn afgenomen. De leerlingen boekten het afgelopen schooljaar gemiddeld circa 20 procent minder vooruitgang dan in voorgaande jaren. Leerlingen zaten ongeveer acht weken thuis, zo'n 20 procent van het schooljaar. De onderzoekers concluderen dat de leerlingen op veel scholen weinig tot geen vooruitgang hebben geboekt in de periode dat ze thuisonderwijs kregen.

Uit de analyse blijkt dat leerlingen met laagopgeleide ouders de grootste leerachterstanden opliepen. Volgens de onderzoekers is dit zorgwekkend. Deze leerlingen boeken volgens hen normaliter veel vooruitgang, omdat Nederlandse scholen goed zijn in het wegwerken van achterstanden.

Dat kinderen leerachterstanden hebben opgelopen door coronacrisis is inherent aan deze ongewone situatie, vindt Anita Kraak van het Nederlands Jeugdinsituut. 'Kinderen zijn flexibel en zullen in de meeste gevallen deze achterstanden vanzelf weer inlopen. Bovendien ontwikkelen ze zich door de coronacrisis juist weer in andere opzichten. Dit onderzoek laat wel zien dat het belangrijk is om bij thuisonderwijs extra aandacht te besteden aan kinderen met laagopgeleide ouders die misschien minder goed in staat zijn hun kinderen daarbij te begeleiden. We moeten ons bovendien realiseren dat hoe langer de crisis duurt, hoe groter de kansenongelijkheid kan worden.'


Bron: NJI


Suïcide bij jongeren in 2019: duiding van de cijfers

In 2019 overleden in Nederland 1.811 mensen door suïcide, 18 (1%) minder dan in 2018 (CBS). Hoewel het aantal zelfdodingen het grootst is onder mensen van middelbare leeftijd, overlijden jaarlijks in Nederland rond de 50 tieners door zelfdoding. Op verzoek van het Ministerie van VWS heeft 113 Zelfmoordpreventie suïcide bij jongeren in 2019 nader geanalyseerd en vergeleken met de cijfers in 2018. 113 Zelfmoordpreventie heeft toegang tot de microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek met gegevens van alle Nederlandse ingezetenen.

Duiding van de cijfers
Met deze data heeft 113 Zelfmoordpreventie een bestand gemaakt van iedereen die aan zelfdoding is overleden, met een koppeling met geslacht van de overledene, de leeftijd, het jaar van overlijden, land van herkomst, locatie van zelfdoding en woonprovincie. Het betreft een duiding van de cijfers bekend bij het CBS en niet een uitgebreide analyse onder nabestaanden zoals gedaan onder jongeren overleden in 2017.

Suïcide bij jongeren in 2019
Uit de duiding blijkt dat zelfdoding onder jongeren vooral gebeurt onder oudere tieners en toeneemt onder jongeren met een migratieachtergrond. Iets meer dan de helft van de in 2019 door zelfdoding overleden jongeren woonde in de provincies Gelderland, Noord-Holland of Zuid-Holland.

Bron: nedkad.nl


Nederlandse kinderen vaker last van angst en somberheid door coronamaatregelen

Nederlandse kinderen voelen zich minder gezond en hebben vaker last van angst en somberheid door de coronamaatregelen. Dat blijkt uit onderzoek van het Emma Kinderziekenhuis Amsterdam UMC tijdens de eerste lockdown.
Arne Popma, hoogleraar Kinder- en jeugdpsychiatrie, pleit ervoor om van de mentale gezondheid van de Nederlandse jeugd een gezamenlijke maatschappelijke prioriteit te maken.

Angst en somberheid door coronamaatregelen
Circa 1000 kinderen en jongeren tussen de 8 en 18 jaar deden in april 2020 mee aan het onderzoek. De voorlopige resultaten laten zien dat, vergeleken met 2018, deze kinderen aangeven dat ze zich minder gezond voelen en minder contact hebben met leeftijdgenoten.

Ze hebben vijf procent meer slaapproblemen, zeven procent meer boosheid, een stijging van tien procent aan somberheid en maar liefst vijftien procent meer angstklachten. Het percentage kinderen met dusdanig ernstige angstklachten dat er op zijn minst hulp aangeboden zou moeten worden, verdubbelde van acht naar zestien procent.

Veerkrachtig blijven ontwikkelen
Volgens Popma is het een randvoorwaarde dat de hulpverleners voldoende snel getest kunnen worden en voldoende beschermingsmaterialen hebben. Het Nederlands Jeugdinstituut heeft samen met partners in Zorg voor de Jeugd adviezen opgesteld voor professionals, ouders en beleidsmakers die erop gericht zijn dat jongeren zich zo veerkrachtig mogelijk blijven ontwikkelen.


Bron: nedkad.nl

Eén op de drie jongeren in de jeugdzorg vertoont riskant blowgedrag

Hasj of wiet wordt door 42% van de jongeren in de jeugdzorg gebruikt. Een vijfde van de jeugdzorgcliënten die blowen doet dat elke dag. In totaal vertoont ruim één op de drie jongeren in de jeugdzorg riskant blowgedrag (35%). Dit blijkt uit het Antenne onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam en Jellinek onder cliënten van de Jeugdzorg in Amsterdam.

Uit de survey blijkt ook dat de helft van de deelnemers uit de jeugdzorg rookt. Eveneens de helft drinkt alcohol, maar dat gebeurt niet dagelijks. Van de andere middelen is lachgas het meest populair. Harddrugs als xtc, cocaïne of amfetamine worden veel minder gebruikt. Aan de andere kant zijn er ook jongeren die geen genotmiddelen nemen: 35% drinkt niet, blowt niet en neemt geen drugs. Volgens professionals uit de panelstudie is blowen het kernprobleem bij buurtjongeren, die bovendien vaker betrokken dreigen te raken bij (drugs) criminaliteit.

Dit jaarlijkse Antenne onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam en Jellinek brengt al een kwart eeuw het middelengebruik onder jongeren en jongvolwassenen in de hoofdstad in kaart. In 2019 is een survey over middelengebruik gehouden onder 118 jongeren van 16 jaar of ouder in de jeugdzorg én een panelstudie onder jeugd- en straathoekwerkers die contacten hebben met buurtjongeren in verschillende stadsdelen. Er is ook een panelstudie uitgevoerd onder insiders uit het uitgaansleven.

Relatief veel rokers, maar voornamelijk gelegenheidsdrinkers
De helft van de jongeren in de jeugdzorg rookt (50%) en bijna de helft drinkt alcohol (48%). Het percentage rokers is daarmee groter dan onder Amsterdamse mbo-scholieren van dezelfde leeftijd (35%), maar het per-centage drinkers juist kleiner (65%). De meeste rokers in de jeugdzorg doen dat dagelijks; gemiddeld 8 sigaretten op doordeweekse dagen en 10 in het weekend. De meeste jeugdzorg-jongeren drinken niet op doordeweekse dagen en er zijn geen dagelijkse drinkers. Drinken wordt vooral geassocieerd met weekenden en feestdagen.

Blowen wordt als problematisch gezien
Hasj of wiet wordt door 42% van de jongeren in de jeugdzorg gebruikt, wat een veel groter deel is dan onder mbo-scholieren van dezelfde leeftijd (22%). Veel jeugdzorgcliënten die blowen doen dat elke dag (18%). In totaal vertoont ruim één op de drie jongeren in de jeugdzorg riskant blowgedrag (35%). Hieronder wordt verstaan: te veel of te vaak blowen, wegblijven van school wegens blowen, extreem stoned worden, blowen om problemen te vergeten en/of – vooral – blowen onder schooltijd. In het panel van professionals zijn jon- gerenwerkers ook uitgesproken negatief over het cannabisgebruik van de kwetsbare en noemen blowen het kernprobleem.

Lachgas wordt niet gezien als drug
Na tabak, alcohol en cannabis, is lachgas het meest populaire genotmiddel bij zowel buurtjongeren als jeugd- zorgcliënten. Onder de 16-plussers in de jeugdzorg heeft ruim één op de drie (35%) het laatste jaar lachgas gebruikt. Lachgas wordt door de meesten maar een paar keer per jaar gebruikt en dan vooral in het week- end of op speciale gelegenheden gebruikt. Veel buurtjongeren zien lachgas niet als een serieuze drug, maar eerder als een onschuldig tijdverdrijf met vrienden. Professionals zien steeds vaker dat lachgas in litertanks gekocht wordt. Daarmee neemt ook het aantal lachgasballonnen wat per sessie wordt gebruikt fors toe.

Harddrugs worden minder gebruikt, wel zorgen over drugscriminaliteit
18% van deze onderzochte groep jongeren in de jeugdzorg geeft aan het afgelopen jaar xtc te hebben gebruikt. Het gebruik van cocaïne (5%) en amfetamine (5%) komt een stuk minder vaak voor. Overige middelen worden helemaal niet of nauwelijks gebruikt. Ook onder de buurtjongeren beperkt het gebruik van andere middelen zich voornamelijk tot xtc en cocaïne, en dan vooral bij groepjes jongvolwassenen die ook uitgaan. Onder de geïnterviewde professionals leeft een grote zorg wat betreft de groeiende invloed van criminaliteit gerelateerd aan harddrugs in straatgroepen, waar een deel van de buurtjongeren mee verweven is.

Ook jongeren die nuchter blijven
Gebruikscijfers uit de survey onder jongeren in de jeugdzorg kunnen niet zomaar bij elkaar opgeteld worden omdat sommige jongeren meerdere middelen gebruiken. In totaal gebruikte 39% het afgelopen jaar drugs (lachgas, xtc, amfetamine of cocaïne) en daarnaast vaak ook cannabis of alcohol. Aan de andere kant zijn er ook jongeren die geen genotmiddelen nemen: 35% drinkt niet, blowt niet en neemt geen drugs.

Wat doet Jellinek aan preventie?
Jellinek richt zich op het voorkomen van overmatig en riskant gebruik van genotmiddelen. Om dat te berei- ken zet Jellinek in samenwerking met GGD Amsterdam en andere partners in Amsterdam in op een integraal preventieprogramma. In 2020 is gestart met de uitvoering van verschillende activiteiten in het kader van het Programmaplan Gezondheidspreventief Drugsbeleid. Extra aandacht gaat hierbij uit naar kwetsbare groepen jongeren waarbij gebruik soms een functionele plaats inneemt. Ook is het voortzetten en versterken van de interventies op het mbo van groot belang. De interventies op het mbo bereiken niet alleen de jongeren met individuele trajecten, maar ook hun ouders en werkzame professionals. Jellinek ondersteunt instellingen die werken met kwetsbare jongeren bij de implementatie van een helder genotmiddelenbeleid. Daarnaast bie- den we consultatie en advies en deskundigheidsbevordering van professionals.

Deze samenwerking zorgt ervoor dat jongeren in staat worden gesteld met een diploma de school te verlaten. Door tijdig riskant gebruik te signaleren, in gesprek te gaan met de jongeren zelf en de drempel te verlagen naar ondersteuning of hulp kan vroegtijdig worden ingegrepen. Hierdoor kan veel leed worden voorkomen, op een moment wanneer problemen nog niet onbeheersbaar zijn.

Naast aandacht voor alcohol, zal extra aandacht zijn om blowen, roken en het gebruik van lachgas tegen te gaan. Dit doen we altijd in samenwerking met ouders en jeugdzorgprofessionals. Jellinek is gestart met een nieuwe interventie voor ouders. Er wordt dit jaar ook extra ingezet op voorlichting rondom lachgasgebruik onder jongerengroepen.

Onderzoek Hogeschool van Amsterdam en Jellinek Preventie
Antenne werd meer dan 25 jaar geleden opgezet door de Universiteit van Amsterdam en Jellinek. Sinds 2018 is de uitvoer van de monitor ingebed binnen het onderzoeksprogramma Urban Management en Urban Vitality van de Hogeschool van Amsterdam. Antenne Amsterdam brengt jaarlijks, op basis van een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens, het middelengebruik onder jongeren en jongvolwassenen in de hoofdstad in kaart. De multi-methodische onderzoeksopzet kent drie vaste onderdelen: een panelstudie, een survey, en analyse van uitslagen van de Amsterdamse drugstestservices van GGD en Jellinek. Antenne is de langstlopende Nederlandse monitor voor het volgen van ontwikkelingen in middelengebruik en de drugsmarkt.

Bron: ggznieuws

Nieuwsbrief

Vul uw e-mailadres in en ontvang onze nieuwsbrief.