Nieuwsupdate februari 2020

Wilt u in de toekomst ook de nieuwsupdate van TvO ontvangen? Vul dan in de rechterkolom uw gegevens gelijk in!


Actueel


Richt behandeling ADHD ook op risicogedrag

De diagnostiek en behandeling van jongeren met ADHD moet meer aandacht besteden aan de oorzaken van risicogedrag. Dat concludeert Tycho Dekkers uit onderzoek waarop hij op 28 januari promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam.

Jongeren met ADHD vertonen meer risicogedrag dan andere jongeren, zoals verkeersovertredingen, delinquentie en vroege seksuele activiteit. Dat gedrag kan ernstige gevolgen hebben voor de jongeren en hun omgeving. Dekkers vergeleek het risicogedrag van kinderen en jongeren met ADHD met dat van andere jongeren. Ook onderzocht hij hun gevoeligheid voor de invloed van leeftijdsgenoten en ouders.
Dekkers adviseert in de behandeling van jongeren met ADHD aandacht te besteden aan de kwaliteit van hun beslissingen. Hun zwakke punt is namelijk niet dat ze per definitie meer risico's nemen dan andere jongeren, maar dat ze slechter zijn in het inschatten van de mogelijke negatieve gevolgen van hun keuze. Daarom is het goed om hen een stapsgewijze beslisstrategie aan te leren: alle opties van een keuze vaststellen, de consequenties inventariseren, de consequenties wegen en op basis daarvan een beslissing nemen.

De sociale omgeving van jongeren met ADHD lijkt een belangrijke rol te spelen in hun risicogedrag. Zij worden vaker afgewezen door leeftijdsgenoten en hebben vaker 'foute' vrienden. Ouders hebben juist een beschermende rol, aldus Dekkers. Als ouders veel weten over het leven van hun kind, kan het kind beter weerstand bieden aan de negatieve invloed van leeftijdsgenoten. Daarom kunnen interventies die zich richten op een betere interactie tussen jongeren met ADHD en hun ouders risicogedrag verminderen.Dekkers deed zijn onderzoek bij De Bascule, Academisch Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie, waar hij coördinator is van de expertisegroep ADHD.

Bron: NJi; UvA; De Bascule

Een op de zes wist jeugdhulp niet te vinden
Een op de zes jongeren en ouders wist in 2018 niet waar ze terecht konden met hun hulpvraag. Dat blijkt uit een analyse door I&O Research van cliëntervaringsonderzoeken uit de periode 2015-2018.

Van de jongeren en ouders die in 2018 hulp zochten, wist 17 procent niet waar ze die hulp konden krijgen. Dat is slechts een kleine verbetering vergeleken met 2015. Toen ging het om 19 procent. Over de persoon die hen verwees naar jeugdhulp zijn velen tevreden. 85 procent voelde zich serieus genomen, 79 procent zegt dat er gezamenlijk is gezocht naar een oplossing.

64 procent zegt dat zij snel hulp kregen bij het vinden van hulp. Dat is 3 procent minder dan in 2015. Kleine gemeenten, met minder dan 25 duizend inwoners, scoren met 72 procent beter dan grotere. Tussen gemeenten loopt de score sterk uiteen van 48 tot 80 procent.
Over de geboden hulp is 85 procent in 2018 tevreden, 4 procent meer dan in 2015. Een nog hoger percentage is tevreden over het handelen van de hulpverleners. Ze voelen zich vaak of altijd met respect behandeld (94 procent) en serieus genomen (87 procent) en vinden dat beslissingen samen met hen zijn genomen (89 procent). Over de snelheid zijn minder mensen tevreden: 72 procent is altijd of vaak snel geholpen. Dat is 5 procent minder dan in 2015.

Bron: NJi;  Binnenlands Bestuur; I&O Research

Zorg voor jongeren met suïcidaal gedrag vraagt andere manier van organiseren
In Nederland overlijdt gemiddeld een tiener per week door zelfdoding. Een schokkend cijfer waar verdrietige verhalen achter schuil gaan. Welke factoren spelen een rol bij deze uiterst droevige gebeurtenissen? 113 Zelfmoordpreventie heeft hiernaar onderzoek gedaan, in opdracht van het ministerie van VWS.

De huidige zorg voor jongeren met suïcidaal gedrag vraagt om ‘een andere manier van organiseren en het ontwikkelen van kennis’, concluderen de onderzoekers. GGZ Nederland wil samen met haar leden voortgaan met passende acties om suïcides onder jongeren in de toekomst vaker te voorkomen. De aanleiding voor het onderzoek is een stijging in 2017 van het aantal suïcides bij jongeren onder de twintig jaar. In dat jaar stierven 81 jongeren tussen tien en twintig jaar oud door zelfmoord. Het onderzoek van 113 Zelfmoordpreventie is er niet op gericht om deze stijging te verklaren, maar om beter te begrijpen welke factoren een rol speelden bij het overlijden van de jongeren. Inmiddels is bekend dat in 2018 het aantal suïcides in deze leeftijdscategorie weer rond het niveau van de jaren vóór 2017 lag. Het onderzoek is een prachtig voorbeeld van hoe te leren van het verleden. Dit gebeurt in de jeugdhulp nog te weinig.

Jongeren in isolement
De onderzoekers hebben gesproken met ouders, familieleden, vrienden, docenten en hulpverleners van de overleden tieners, Uit deze interviews komt een schrijnend beeld naar voren van kinderen die door de jaren heen steeds meer in een isolement terecht zijn gekomen, ondanks alle inspanningen van naasten en professionals, op school en in de hulpverlening.
Van de jongeren was 63% in beeld bij de zorg op het moment van overlijden. Ouders waarderen de individuele inzet van hulpverleners, maar zij hebben kritiek op het systeem. Het behandelen van suïcidaal gedrag bij jongeren is complex en er bestaat geen standaardoplossing. Jongeren met deze complexe problematiek vinden in ons land moeilijk passende zorg en belanden vaak in een vicieuze cirkel van aanmelding, wachtlijsten, diagnostiek, afwijzingen en verwijzing.Eenmaal in behandeling, blijkt vaak dat er sprake is van onvoldoende continuïteit van zorg, de samenwerking tussen professionals niet optimaal is en dat ouders onvoldoende gehoord en betrokken worden.

Netwerkaanpak
De huidige zorg voor tieners met suïcidaal gedrag vraagt een andere manier van organiseren, zo concludeert de onderzoekscommissie. Aanbevolen wordt een netwerkaanpak, waarbij hulpverleners, naasten en andere betrokkenen uit het leven van de jongere samenwerken, en ze met de jongere en met elkaar de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en zorg dragen. Dit heeft als voordeel dat professionals niet alleen staan in dit vaak complexe hulpverleningstraject.Ook adviseert de onderzoekscommissie om structureel een psychologische autopsie -het psychologische leven van iemand die zelfmoord heeft gepleegd wordt nagegaan door onder andere gesprekken met nabestaanden- te organiseren om te leren van elke suïcide door jongeren. Deze kennis zou op landelijk niveau verzameld en uitgewisseld moeten worden. GGZ Nederland ondersteunt dit advies waarbij zij weet dat elke suïcide, waar mogelijk, ook nu al door de lid-instellingen wordt onderzocht.

Supranet
Veel leden van GGZ Nederland zijn voor volwassen patiënten al aangesloten bij Supranet. Samen kunnen zij leren van patronen en de zorg aanpassen om daarmee het aantal suïcides verder terug te dringen. Ook een aantal jeugd-GGZ-partijen overweegt aansluiting. Daarvoor is aanpassing van het systeem in het jeugddomein noodzakelijk. Daaraan wordt gewerkt. Het zou mooi zijn als ook andere zorgorganisaties zich hierbij aansluiten.

Privacywetgeving belemmert
De privacywetgeving kan een belemmerende factor zijn bij de behandeling. Vooral in de behandeling van jongeren vanaf 16 jaar voelen hulpverleners zich soms klem zitten tussen privacyregels en zorgplicht. De onderzoeksgroep vindt dat hulpverleners meer duidelijkheid nodig hebben over de beperkingen en mogelijkheden van de huidige wet- en regelgeving voor het samenwerken met naasten bij de behandeling van suïcidale jongeren. Het moet helder worden wanneer de zorgplicht prevaleert boven de plicht tot geheimhouding. Kennis over de mogelijkheden, die er volgens experts voldoende zijn, zal de samenwerking tussen ouders en hulpverleners vergroten. GGZ Nederland blijft de dialoog, over de spanning tussen goede zorg en privacy voeren, waarbij de bedoeling voorop moet staan: het streven naar nul suïcides.

Bron: GGZnieuws.nl

Meisjes vaker dan jongens last van online stalken, pesten of laster
5,3 procent van de 12- tot 25-jarige internetgebruikers heeft in 2018 te maken gehad met online stalken, pesten en bedreigingen. Dat zijn ruim 140 duizend jongeren. Meisjes hadden hier bijna twee keer zo vaak mee te maken als jongens (7,1 procent tegen 3,6 procent). Dat meldt het CBS op basis van het onderzoek Digitale Veiligheid & Criminaliteit.
Aan dit onderzoek uit het najaar van 2018 deden ruim 38 duizend personen mee. Een van de vragenblokken ging over interpersoonlijke incidenten. Internetgebruikers is gevraagd of ze de afgelopen twaalf maanden wel eens last hebben gehad van laster (online roddels, getreiter, pesten), stalking (herhaaldelijk lastigvallen) of bedreiging. 

Vooral laster
Online laster kwam met 3,9 procent het vaakst voor. 1,9 procent van de jongeren kreeg naar eigen zeggen te maken met online stalking en 1,0 procent met bedreiging met geweld. Meisjes kregen vaker te maken met online stalking en laster. Bedreiging met geweld kwam bij jongens en meisjes even vaak voor. In de jongste groep (12 tot 18 jaar) komen online incidenten met 6,4 procent vaker voor dan bij jongeren van 18 tot 25 jaar, waarvan 4,4 procent hier last van had.

3 procent meisjes slachtoffer seksueel getinte incidenten
Van de jongeren kreeg 1,6 procent te maken met een seksueel getint incident en 4,0 procent met een niet seksueel getint incident. Seksueel getinte incidenten kwamen aanzienlijk vaker voor bij meisjes (2,8 procent) dan bij jongens (0,5 procent).

Homo- of biseksuele jongeren vaker last
Van de homo- of biseksuele jongeren kreeg 11,4 procent in 2018 te maken met online incidenten. Dat is ruim twee keer zo vaak als heteroseksuele jongeren. Met name seksueel getinte incidenten werden door homo- of biseksuele jongeren (5,3 procent) vaker gerapporteerd dan door heteroseksuele jongeren (1,6 procent).

Meestal geen melding of aangifte
Van de jongeren die te maken kregen met online incidenten voelde 43,4 procent na het laatste incident de emotionele gevolgen. Zij dachten er regelmatig aan terug, sliepen er slecht van of waren er erg boos over. Desondanks gaf bijna de helft van de slachtoffers (48,9 procent) aan dat ze het incident weliswaar als verkeerd zagen, maar niet als een misdrijf. 11,3 procent omschreef het incident als toeval en 7,5 procent gaf zichzelf de schuld van het incident. Een kleine groep van 4,1 procent vond het incident wel een misdrijf.
Van de jongeren meldde 8,0 procent het incident bij de politie of een ander instantie en 36,7 procent vertelde over het incident aan familie, vrienden of een leerkracht. 4,8 procent deed uiteindelijk aangifte bij de politie.

Bron : GGZnieuws.nl

In tien jaar ruim 2.500 amv's uit zicht verdwenen
Meer dan 2.500 alleenstaande minderjarige vluchtelingen zijn in de afgelopen tien jaar met onbekende bestemming vertrokken uit asielzoekerscentra. Een deel viel mogelijk in handen van mensenhandelaren. Dit leidt NRC af uit cijfers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en voogdij-instelling Nidos.
Ruim 11.700 alleenstaande minderjarige vluchtelingen vroegen de afgelopen tien jaar asiel aan in Nederland. Ten minste 2.556 kinderen vertrokken voortijdig. Dat aantal kan nog hoger liggen omdat cijfers van Nidos over de jaren 2011 tot en met 2014 ontbreken. Vooral het afgelopen jaar is het aantal verdwenen kinderen flink gestegen. Volgens het COA en Nidos komt dat doordat meer kinderen uit veilige landen zoals Marokko en Algerije asiel aanvragen. Van de meeste vertrokken kinderen is de huidige verblijfplaats onbekend. Een deel van de kinderen reist volgens het COA en Nidos waarschijnlijk door naar familie in Nederland of elders in Europa. Een onbekend deel valt in handen van mensenhandelaren die het kind in Nederland of het buitenland uitbuiten voor illegale arbeid, criminaliteit of prostitutie.
Zelfs kinderen die al eerder slachtoffer waren van mensenhandel of daar een verhoogd risico op liepen, zijn mogelijk in handen gevallen van mensenhandelaren. Deze kinderen krijgen als ze asiel aanvragen intensieve begeleiding in beschermde opvanghuizen. In tien jaar verdwenen ruim honderd kinderen uit deze beschermde opvang.
De cijfers bevestigen eerdere bevindingen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen dat alleenstaande minderjarige vluchtelingen extra risico lopen op seksuele uitbuiting.

Bron: NJi; NRC

Nieuwsbrief

Vul uw e-mailadres in en ontvang onze nieuwsbrief.