Nieuwsupdate oktober 2020

Wilt u in de toekomst ook de nieuwsupdate van TvO ontvangen? Vul dan in de rechterkolom uw gegevens gelijk in!


Actueel

“En? Vind jij hem lui?”

Daar zit je dan, met je mond vol tanden in relatietherapie. Zijn therapeut en mijn therapeut hadden bedacht dat het een goed idee was om ons samen te zien. En nu mocht ik even vertellen of ik vond dat mijn partner lui was. “Natuurlijk niet!”, het was meer een reflex dan een weldoordacht antwoord, maar ik had dan ook geen zin om op de bank te slapen die avond.

Hij had zelf uitgesproken dat hij ‘misschien wel gewoon lui’ was. Hij wilde huishoudelijke taken wel doen, maar het lukte hem steeds maar niet om te beginnen. Hetzelfde gebeurde met opdrachten die hij voor zijn opleiding moest doen. Hij wou wel beginnen, hij wist dat hij moest beginnen en toch..

Hij had al dertig jaar zo geleefd, hij wou wel vanalles, maar hij kwam maar niet van z’n plek. En toen kwam ik. Ik ging hem wel even Helpen. Ik sleepte hem mee naar de huisarts en de psycholoog en die kwamen meteen met vermoedens van een storing in zijn executieve functies. De psychiater achtte dat zeer waarschijnlijk en gaf hem meteen maar wat amfetamine mee om te kijken of er misschien sprake was van ADD.

Na een paar dagen toekijken hoe hij heel wakker en trillerig huishoudelijke en andere taken liep uit te stellen, had ik er zo m’n vraagtekens bij. Was die redenatie uitstelgedrag = storing in executieve functies niet vreselijk kort door de bocht? Los van het feit dat executieve functies als begrip veel meer inhouden dan alleen taakgericht handelen; ga je dan niet enorm voorbij aan de rol die angst speelt bij uitstelgedrag? Zijn psychiater was het niet met me eens. Een deskundige vriendin van mij ook niet, die verdenkt mij ook al jaren van AD(H)D of autisme.

Een naderende deadline roept bij mij namelijk ook zonder uitzondering een onbedwingbare behoefte op om mijn sokken te gaan sorteren, desnoods op alfabet. Voordat ik begon aan het schrijven van deze column, moest ik opeens heel nodig mijn radijzenperkje fatsoeneren. En nee, dat is geen metafoor, ik heb echt een bloembak vol radijsplanten. Ik zie hetzelfde bij mijn studenten, die moeten ook altijd ‘eerst nog even’ voordat het echte schrijfwerk begint.

Door al die jaren van sokken sorteren, uitgebreid de was doen en mijn werkplek volledig opnieuw indelen heb ik ondertussen het idee gekregen dat uitstelgedrag te maken heeft met een soort faalangst. In het kader van ‘als ik niet begin, kan het ook niet fout gaan’. Logisch gezien is er geen speld tussen te krijgen, maar een dergelijke redenatie is natuurlijk niet erg bevorderlijk voor de productiviteit.

En wat doe je eraan? Gealfabetiseerde sokken zijn leuk, maar er moet natuurlijk wel geschreven worden. Ik denk dat we te weinig beseffen dat taken zoals schrijven emotioneel best heftig zijn. Het blijft creatief werk en creëren is kwetsbaar zijn. Het is niet ongebruikelijk om verlegen te worden als er een foto van je gemaakt wordt, of helemaal gegeneerd te raken als je naar een opname van jezelf moet kijken of luisteren. Schrijven is een afspiegeling maken van wat er in je hoofd omgaat, een afspiegeling die je zelf ook nog moet creëren. Als je het zo bekijkt, is het geen wonder dat het zo veel weerstand oproept. Geen wonder ook dat het schrijven met een borrel erbij opeens een stuk beter gaat. Een ervaren schrijver hanteert dan ook het devies: write drunk, edit sober.

Hetzelfde geldt voor andere academische taken: programmeren, analyseren, beoordelen, noem maar op. Alles waar een stukje van jezelf in zit maakt je kwetsbaar, en kwetsbaarheid is eng. Een stuk enger dan sokken in elk geval.

Bij mijn studenten probeer ik er in de eerste plaats voor te zorgen dat ze er gevoelsmatig niet alleen voor staan. Het is echt verbazingwekkend hoeveel je kunt bereiken door er alleen maar even bij te zijn als ze achter hun document gaan zitten en de eerste paar woorden formuleren. Als dat niet werkt, probeer ik een concretere ‘bedreiging’ te zijn dan de faalangst. Een concreet persoon ‘teleurstellen’ is een stuk enger dan een vaag gevoel van ‘misschien lukt het niet’. Werkt als een tiet. Al het gedrag dat bestempeld kan worden als een gebrek aan taakgericht handelen valt dan volledig weg.

Voor mijn partner werkte het trouwens ook, maar alleen voor het schrijfwerk. De huishoudklusjes bleven gewoon liggen. We zijn voorlopig nog niet klaar met relatietherapie.

Josien de Bie behaalde haar Master in Biologie aan de Universiteit van Groningen en haar PhD in Neurowetenschap in Sydney. Ze is wetenschapscommunicator, jazz zangeres, stand-up comedian, oprichtster van genderbrain.com en een woesteling in het de-bunken van gendermythes. Zij schrijft columns over haar bezigheden.


Geen bewijs voor link tussen depressie en voeding

Het bewijs dat de juiste voeding depressies kan voorkomen of verhelpen, is zwak. In literatuurreviews over het onderwerp trekken auteurs niettemin vaak sterke conclusies. Dat ontdekte Florian Thomas-Odenthal, masterstudent Psychologie aan de Universiteit Leiden, in zijn thesisonderzoek. Publicatie in PLOS ONE.

‘Gezond eten helpt bij depressiebehandeling’, ‘Mediterraan dieet vermindert risico op depressies’: de link tussen voeding en depressies komt de laatste jaren steeds vaker in het nieuws. Maar het veld is nog jong, en veel van de wetenschappelijke artikelen waarin geconcludeerd wordt dat er een verband tussen voeding en depressies is, zijn reviews: papers waarin de auteur een overzicht geeft van de huidige stand van de wetenschap. Psychologiestudent Florian Thomas-Odenthal nam deze reviews onder de loep, samen met zijn begeleider Marc Molendijk van het Leidse Instituut Psychologie en mede-auteurs Willem van der Does en Patricio Molero, en ontdekte dat de auteurs vaak veel sterkere conclusies trekken dan op basis van de onderliggende onderzoeken gerechtvaardigd is.

Type review
Thomas-Odenthal onderzocht in totaal 50 review-artikelen. Hij maakte daarbij onderscheid tussen narratieve reviews (ook wel literatuurreviews), systematische reviews en meta-analyses. Het verschil tussen deze drie is de aanpak, legt hij uit. ‘Bij een literatuurreview selecteert de auteur zelf de onderzoeken en artikelen hij meeneemt in de review. Voor het maken van een systematische review bestaat een vast protocol voor bronselectie, analyse en conclusie. Een meta-analyse is nog strenger geprotocolleerd en is een statistische samenvatting van al het bestaande onderzoek.

Te sterke conclusies
Wat bleek: een derde van de literatuurreviews kwam tot een sterke conclusie over het verband tussen voeding en depressies, maar niet één van de meta-analyses vond een dergelijk sterk verband. Thomas-Odenthal: ‘We hebben ook nog een eigen meta-analyse gedaan: als je al het experimentele bewijs bij elkaar neemt, is er geen sterke link te vinden tussen je dieet en het voorkomen van depressie, of dat een dieet kan helpen bij de behandeling ervan.’ De literatuurreviews zijn dus vaak te stellig over hun bevindingen. ‘En die conclusies vinden wel hun weg naar het publiek, en naar behandelaars.’

Minder bronnen gebruikt
De onderzoeker heeft een aantal verklaringen voor zijn ontdekking. ‘We zagen dat literatuurreviews gemiddeld 45% minder onderzoeken als bron omvatten dan meta-analyses.’ Daarnaast kan er gemakkelijk onevenwichtigheid in de selectie van bronnen sluipen, wanneer een auteur deze zelf selecteert, legt Thomas-Odenthal uit. ‘Onbedoeld geeft een auteur teveel gewicht aan zijn eigen onderzoek, of onderzoek dat zijn vermoeden ondersteunt. Dat heet confirmation bias, en dit is waarschijnlijk een belangrijke oorzaak van de te sterke conclusies in literatuurreviews.’ Bij een systematische review en een meta-analyse is er veel minder kans op deze bias – en dus minder kans op te sterke conclusies. ‘Dat hebben we nu laten zien voor het verband tussen voeding en depressie, maar het effect van type review op de stelligheid van conclusies geldt waarschijnlijk voor veel meer onderwerpen.’

Wees alert bij reviews
De jonge psycholoog denkt dat het belangrijk is dat zowel wetenschappers als redacties van tijdschriften zich hier bewuster van worden. ‘Bij een systematische review of meta-analyse is het risico op een te sterke conclusie veel minder. Redacties van tijdschriften moeten zich afvragen of ze nog wel narratieve reviews willen publiceren, vooral indien er nog geen meta-analyse over het onderwerp beschikbaar is.

Bron: GGZnieuws



Jongeren zijn sociale drinkers, waarbij de setting de mate bepaalt

Een glaasje alcohol wordt vaak gedronken in een sociale setting. Gedragswetenschapper Martine Groefsema onderzocht wanneer en waarom jongvolwassenen drinken in gezelschap. Ze promoveerde op 10 september aan de Radboud Universiteit.

‘Alcoholgebruik heeft een hele belangrijke sociale kant, dat leren we al met kinderchampagne’ zo vertelt Groefsema. ‘Veel van ons drinkgedrag vindt dan ook in gezelschap plaats.’ Voor haar onderzoek deed Groefsema experimenten met jongvolwassenen in het zogenaamde Barlab van de Radboud Universiteit (een onderzoekslab dat er uit ziet als een bar) en in de eigen drinkomgeving van jongeren. Het doel was om beter te verklaren waarom de één zich meer laat beïnvloeden dan de ander, en om toekomstig drinkgedrag te voorspellen.

Sneller drinken
De resultaten laten onder andere zien dat jongeren versnellen in hun drinktempo gedurende de avond, vooral als er vroeg begonnen wordt met drinken of als jongeren meer problematische drinkers zijn. Groefsema: ‘Dat heeft denk ik te maken met intentie van de avond, en de remmingen gaan waarschijnlijk ook weg na het gebruik van alcohol, wat weer zorgt voor sneller drinken.’ Door alcoholgebruik op deze unieke manier te meten, met behulp van de eigen telefoon van jongeren kon Groefsema dit soort versnellingen meten. ‘Misschien in de kunnen we in de toekomst zo zelfs ‘ingrijpen’ op de momenten waarop het nodig is.’

Geen simpele verklaring
Drinkgedrag kon echter niet verklaard worden aan de hand van een aantal lichamelijke en cognitieve factoren. Zo was er geen verband met de gerapporteerde drinkmotieven. ‘Mensen die bijvoorbeeld zeggen dat ze een sociale drinker zijn, zie ik niet terugkomen in het onderzoek als mensen die extra veel drinken in gezelschap.’ Ook kon Groefsema drinkgedrag niet verklaren door te kijken naar reacties in de beloningsgebieden in de hersenen wanneer jongvolwassenen foto’s te zien kregen van mensen die samen dronken of wanneer ze ‘belonende’ slokjes bier ontvingen.

‘Er is wel degelijk een verband tussen groepsgrote, groepssamenstelling en tijd van de avond en alcoholgebruik, maar het is complex, er is niet één simpele verklaring. Sociaal drinken is waarschijnlijk een optelsom van factoren en die verschillen per situatie. Naar mijn idee moet er in toekomstig onderzoek nog meer gekeken worden naar wat er precies gebeurt op dat moment dat er samen gedronken wordt en naar het samenspel van factoren.’


Bron: GGZnieuws



Netwerkanalyse brengt suïcide beter in kaart

Suïcide. Het blijft een taboe en lastig te doorgronden onderwerp. Daarom probeerde Derek de Beurs, hoofd epidemiologie bij Trimbos Instituut, dit verschijnsel beter in kaart te brengen met een nieuwe benadering: de netwerkanalyse. ‘De netwerkbenadering van suïcidaliteit gaat er vanuit dat suïcidaal gedrag het resultaat is van de dynamische interactie tussen verschillende factoren.’

Denk je aan zelfmoord? Schakel hulp in. Chat via 113.nl of bel 113 of gratis 0800-0113.

•••

‘Traditionele onderzoeken bevragen grote groepen mensen op één enkel moment gevraagd naar risicofactoren zoals depressie,’ legt De Beurs uit. Om zo suïcidaliteit twee jaar later te voorspellen. Van dit soort onderzoek leren we heel veel over algemene risicofactoren voor suïcidaliteit. Voor die ene patiënt die voor een klinische behandelaar zit, zijn dit soort resultaten lang niet precies genoeg. Met nieuwe technieken zoals de mobiele telefoon kunnen we eindelijk meerdere metingen van één persoon doen. We krijgen hierdoor veel beter zicht op de unieke en complexe samenhang van risicofactoren binnen één persoon. Dit helpt ons om die ene persoon veel preciezer te volgen en te begrijpen.’

Complexiteit suïcidaliteit
‘Steeds meer komt het besef dat we psychopathologie, en dus ook suïcidaliteit, moeten bestuderen in al zijn complexiteit,’ aldus De Beurs. ‘Vergelijk het met het weer: om weersvoorspellingen te doen, kun je ook niet alleen naar de temperatuur op één moment kijken. Je moet ook factoren meewegen zoals luchtdruk, luchtstromen, windkracht en kans op neerslag. En al die factoren reageren weer op een bepaalde manier op elkaar over tijd. Zo werkt het ook bij suïcidaal gedrag.’

Wie is er kwetsbaar?
‘De mensen bij wie symptomen als piekeren en depressieve gevoelens sterker met elkaar verbonden zijn, lopen meer risico op psychische klachten dan mensen waarbij piekeren nooit tot een somber gevoel leidt. Vergelijk het met dominostenen, bij sommigen staan ze dichter bij elkaar dan bij andere mensen. Valt er een steen om, dan vallen bij kwetsbare mensen gelijk alle stenen om.’

Vicieuze cirkel
‘Wanneer symptomen zoals piekeren door een stressor worden geactiveerd, dan kunnen ze met elkaar in een vicieuze cirkel raken’’ aldus De Beurs. ‘Denk bijvoorbeeld aan de stressor die niemand kan zijn ontgaan: de uitbraak van corona. De pandemie kan ervoor zorgen dat iemand gaat piekeren, wat weer slapeloosheid veroorzaakt. Door slapeloosheid krijgt iemand vervolgens gedachten aan de dood, maar het zorgt ook weer voor piekeren, wat op zijn beurt leidt tot nog intensere gedachten aan de dood. Zo komt iemand in een positieve feedback loop terecht: de symptomen verergeren elkaar steeds, zelfs als een stressor weer verdwenen is.’

Van netwerken naar complexe systemen
‘Netwerken zijn pas een eerste stap naar denken over psychopathologie als een complex systeem. Ecologen en economen bestuderen complexe systemen al langer en daar kunnen we ons voordeel mee doen. Zo is er veel onderzoek gedaan naar omslagpunten. De financiële markt leek plotsklaps in te storten, maar onderhuids waren er al vele signalen dat het systeem onder druk stond. Nu zijn er technieken om deze onderhuidse signalen te voorspellen.’

Netwerk symptomen sterker verbonden vlak voor omslagpunt
‘Elk complex systeem dat op het punt staat om te slaan, blijkt in de periode voor het omslagpunt al minder flexibel te zijn geworden,’ stelt De Beurs. ‘In de psychiatrie is dit idee reeds aangetoond bij een depressieve patiënt die zichzelf een jaar heeft gemonitord met een smartphone. Vlak voor dat hij weer depressief werd, zag je dat zijn netwerk aan klachten sterker verbonden raakte, vaster kwam te zitten. De hypothese is dat we dit ook kunnen zien bij suïcidale patiënten. De verwachting is dat hun symptomen steeds meer gaan samenhangen vlak voordat ze opnieuw in een suïcidale crisis komen.’

Niet stapsgewijs
‘Wat nieuw aan deze theorie is, is dat stress dus niet stap-je-voor-stapje resulteert in meer suïcidaliteit, maar dat er plotsklaps een enorme toename is in suïcidaal gedrag. Het idee is dat dit proces maakt dat suïcides zo plotseling kunnen lijken. De signalen ervoor waren te klein om echt opgemerkt te worden door de naasten, de therapeut of zelfs de patiënt.’

Opzet onderzoek
Theoretisch klinkt dit allemaal heel aannemelijk, maar het moet natuurlijk wel aangetoond worden. Er zijn nu meerdere studies die deze processen bij depressieve patiënten hebben aangetoond, en er is één artikel dat een vergelijkbare hypothese toetste bij suïcidale patiënten. Vanuit de VU in Amsterdam hebben De Beurs en zijn collega’s nu data verzameld van vijf suïcidale patiënten over 3 met een mobiele telefoon. Met deze data kunnen we een start maken om de hierboven geschreven hypothesen te toetsen.

Meer inzicht in problematiek suïcidaliteit
‘De grootste verdienste van de netwerkbenadering tot nu toe is de herwaardering voor de unieke complexiteit van een patiënt; het heeft in eerste instantie zowel voor de patiënt als de clinicus een psycho-educatieve functie. De emotionele beleving van een patiënt is niet iets statisch, maar iets dynamisch wat van week tot week en zelfs van uur tot uur verandert. Denken over psychopathologie en suïcidaliteit als het resultaat van een complex dynamisch systeem kan behandelaars helpen om meer gepersonaliseerde therapie aan te bieden.

Real-time informatie over mentaal herstel
‘Uiteindelijk hopen we dat we met deze theorieën en de daarbij behorende technologieën patiënten real-time informatie kunnen geven over hun mentale herstel. Behandelaars kunnen daar telkens de therapie op aanpassen. Ook hopen we een vroeg-detectie functie te ontwikkelen, die helpt om een volgende suïcidale crisis te voorspellen en te voorkomen. Maar dat is nog toekomstmuziek.


Bron: nedkad.nl



Interventie kan helpen bij besluit uithuisplaatsing

Een effectieve gehechtheidsinterventie kan professionals ondersteunen bij beslissingen over uithuisplaatsing. Dat concludeert Sabine van der Asdonk uit onderzoek waarop zij op 15 september promoveerde aan de Universiteit Leiden.

Beslissen over de noodzaak van een uithuisplaatsing is moeilijk voor professionals. Ze moeten hun besluit vaak nemen onder tijdsdruk en baseren op tegenstrijdige en onvolledige informatie.

Van der Asdonk onderzocht welke factoren een rol spelen bij de besluitvorming. Ze legde anonieme casussen voor aan 144 medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, gezinsmanagers, kinderrechters en studenten. Twee factoren hadden duidelijk invloed: de opvatting van professionals over de schadelijkheid van uithuisplaatsingen en hun inschatting van de capaciteit van ouders om hun gedrag te veranderen. Ervaring, professionele achtergrond en opvattingen over de effectiviteit van uithuisplaatsingen speelden geen rol.

Vervolgens onderzocht Van der Asdonk of het mogelijk is de inschatting van de verandercapaciteit van ouders te verbeteren. Daartoe onderzocht ze de invloed van een gehechtheidsinterventie, gericht op het verbeteren van de ouder-kindrelatie. Als uit zo'n interventie blijkt dat ouders de capaciteit hebben om hun opvoedvaardigheden te verbeteren, is dat concrete en objectieve informatie waarop professionals hun beslissing kunnen baseren. Professionals die casussen kregen voorgelegd met informatie over de vooruitgang van ouders na een interventie, kwamen vaker tot dezelfde conclusie, constateerde Van der Asdonk. Dat kan erop wijzen dat die conclusie objectiever is.

 
Bron : NJI

Promotie: De verschillen in mentale gezondheid tussen groepen jongeren

Internationaal vergelijkend onderzoek laat zien dat jongeren in Nederland positief zijn over hun mentale gezondheid. Dit betekent echter niet dat alle jongeren in Nederland even gelukkig en tevreden zijn. In haar proefschrift heeft Elisa Duinhof daarom verschillen in mentale gezondheid tussen groepen jongeren op basis van het land waarin ze woonachtig zijn, gezinswelvaart, migratieachtergrond, schoolniveau en sekse nader onderzocht.

Duinhof: “Gebruikmakend van een door ons aangepast en gevalideerd onderzoeksinstrument, tonen de onderzoeksresultaten in mijn proefschrift dat jongeren in Nederland in vergelijking met hun Europese leeftijdgenoten relatief weinig psychische problemen rapporteren.”
De Utrechtse promovenda stelt wel dat hyperactiviteit een uitzondering vormt op dit algemene patroon: Nederlandse jongeren rapporteren relatief vaak hyperactiviteit.

Deze niveaus van zelfgerapporteerde psychische problemen zijn nauwelijks veranderd tussen 2003 en 2013. Er is wel sprake van kleine, maar tamelijk robuuste verschillen in psychische problemen tussen groepen jongeren in Nederland. “Zo rapporteren jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond en jongeren met een lager schoolniveau vergelijkbare niveaus van emotionele problemen maar meer gedragsproblemen en problemen met leeftijdsgenoten dan hun leeftijdsgenoten zonder een migratieachtergrond of een hoger schoolniveau. Niet gezinswelvaart, maar ervaren discriminatie lijkt een belangrijke rol te spelen in dit relatief hogere risico van jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond.”

Duinhof heeft zowel in Nederland als in Europa weinig aanwijzingen gevonden voor intersectionaliteit: het idee dat er extra risico’s zijn verbonden aan de specifieke combinaties van bepaalde groepslidmaatschappen. De resultaten van haar proefschrift onderstrepen het belang van selectieve preventieve maatregelen en interventies gericht op risicogroepen.

Bron: uu.nl

Nieuwsbrief

Vul uw e-mailadres in en ontvang onze nieuwsbrief.