Nieuwsupdate november 2018

In deze nieuwsupdate kunt u een column lezen van Carla van Os. Daarnaast delen wij graag het actuele nieuws met u. Wilt u in de toekomst ook de nieuwsupdate van TvO ontvangen? Klik hier en schrijf u dan gelijk in!

Column

Het belang van het gevluchte kind: doe ff normaal 

Het land was deze zomer in rep en roer vanwege twee kinderen van twaalf en dertien jaar oud. Zij dreigden na ruim tien jaar verblijf in Nederland naar Armenië uitgezet te worden.

Hun namen zijn bekend, dus het lijkt wat overdreven om ze hier niet te noemen. En toch doe ik dat niet omdat ik het de kinderen gun om zo snel mogelijk weer een normaal leven te leiden waarin ze niet meer of minder bekend zijn dan hun klasgenoten. Een zo’n normaal mogelijk leven leiden is een beschermende factor voor de psychische gezondheid van gevluchte kinderen. Het is mijn ‘favoriete’ beschermende factor omdat iedereen die een gevlucht kind ontmoet eraan kan bijdragen. Van het voetbalmaatje tot de klasgenoot. Van de leerkracht tot de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Ook de toevoeging ‘Armeense’ laat ik bewust weg in de eerste zin. Al werden zij overal beschreven als de ‘twee Armeense kinderen’. Wat is er Armeens aan een kind dat vanaf zijn derde of vierde in Nederland woont en zijn hele basisschool in Nederland doorloopt? Deze kinderen waren ingebed in de Nederlandse samenleving, een term die het predicaat ‘geworteld’ heeft gekregen. Daarnaast waren de kinderen bijzonder kwetsbaar vanwege de problemen die hun leven en psychische gezondheid hebben getekend. Een dieptepunt was de gedwongen scheiding van hun moeder. Zij werd in de zomer van 2017 uitgezet. In het Nederlandse jeugdbeschermingsrecht is het – in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag – ‘normaal’ dat een dergelijke scheiding alleen plaatsvindt als het belang van het kind dat vereist.

Nadat ze gescheiden waren van hun moeder, werden de kinderen onder toezicht gesteld. De Raad voor de Kinderbescherming deed vervolgens onderzoek om te bezien of, en zo ja met welke waarborgen, de kinderen met hun moeder herenigd zouden kunnen worden. Daarover waren grote twijfels omdat hun moeder er inmiddels zo slecht aan toe was dat het niet waarschijnlijk leek dat zij de zorg voor haar kinderen zou kunnen dragen. Toen dat ook door een gedragswetenschapper in Armenië werd bevestigd, werd daags voor de geplande uitzetting nog een spoedprocedure bij een rechtbank gevoerd. Zonder succes. De persrechter meldde dat de kinderen uitgezet mochten worden omdat er geen formele diagnose bij moeder was gesteld. En dus, zo werd geredeneerd, stond het niet vast dat de moeder niet de zorg voor haar kinderen zou kunnen dragen. Daarmee werd een wissel op hun toekomst getrokken. ‘We plaatsen kinderen niet op goed geluk’, zei een medewerker van de Raad daarover al tijdens een eerdere zitting over het lot van de kinderen. Kennelijk is dat toch ‘normaal’ wanneer het gaat om kinderen die het land moeten verlaten.

Na een ongekend breed gedragen publieksactie – ook gesteund door beroepsgroepen van gedragswetenschappers en artsen – werd op het allerlaatste moment berust in het verblijf van de kinderen in Nederland. Helaas kreeg dit drama geen positieve politieke gevolgen voor de paar honderd andere kinderen die ondanks hun langdurige verblijf in Nederland uitgezet dreigen te worden. 

Het kinderrechtelijk principe om de belangen van kinderen voorop te stellen bij beslissingen die hen raken, is ver te zoeken als het gaat om de groep in Nederland gewortelde kinderen. Veel ellende zou voorkomen kunnen worden als direct na aankomst in Nederland al een Best Interests of the Child-assessment uitgevoerd zou worden. Ouders vertellen vaak dat ze ‘vanwege de kinderen’ gevlucht zijn. Die kinderen en hun belangen zijn echter veelal onzichtbaar in de huidige asielprocedure. Misschien is dat wel óók een reden dat ouders zich soms moeilijk kunnen neerleggen bij de uitkomsten van procedures. Over hoe zulke Best Interests of the Child-assessments met recent gearriveerde gevluchte kinderen gedragswetenschappelijk ingericht zouden kunnen worden, heb ik een proefschrift geschreven.[1] Daaruit blijkt dat het mogelijk is om op een gedragswetenschappelijke en betrouwbare wijze het belang van het gevluchte kind al vrij snel na aankomst in kaart te brengen. Daarmee zou al in het allereerste besluit over het asielverzoek passend gewicht aan dat belang gegeven kunnen worden. Dat zou nou eens ‘normaal’ zijn.

Carla van Os is universitair docent 'kinderen en recht' bij de vakgroep orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen. Carla studeerde orthopedagogiek aan de Radboud Universiteit in Nijmegen (1986-1992), journalistiek aan de Fontys Hogeschool in Tilburg (1993-1997) en Nederlands recht aan de Universiteit Leiden (2001-2005). Sinds augustus 2014 is Carla Verbonden aan het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. 

Actueel

 

Knelpunten in aansluiting onderwijs en jeugdhulp
Gemeenten zijn over het algemeen tevredener over de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp dan samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Wel ervaren zij dezelfde knelpunten, ongeacht de mate van tevredenheid. Dat staat in het evaluatierapport Passend Onderwijs van het consortium Evaluatie Passend Onderwijs.

Aan het onderzoek, dat bestond uit een online vragenlijst, deden 105 samenwerkingsverbanden en 217 gemeenten mee. Een kwart van de samenwerkingsverbanden is tevreden over de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp en een derde is ontevreden. Gemeenten oordelen iets positiever: een derde is tevreden en een kwart ontevreden.

Wel ervaren zowel gemeenten als samenwerkingsverbanden knelpunten in de aansluiting. Zo zijn onderwijs en jeugdhulp nog te veel gescheiden, is de rolverdeling vaak onduidelijk en zijn er te veel personele wisselingen. Ook gebrek aan tijd, kennis en competenties wordt vaak genoemd.

In de evaluatie staan mogelijke verbeteringen. Zo wordt geadviseerd te werken aan een gezamenlijke visie en doelen, moeten partijen elkaar hun verwachtingen kenbaar maken en moeten ze vertrouwen op elkaars deskundigheid. Ook is een heldere taakverdeling nodig, moeten afspraken vastgelegd worden en moet beleid gebaseerd zijn op monitoring en evaluatie.

Bron: Consortium Evaluatie Passend Onderwijs; NRO


Onderzoek: waarom werkt cognitieve gedragstherapie bij depressieve jongeren? 
Depressieve jongeren blijken vaak baat te hebben bij Cognitieve Gedragstherapie. Maar waarom werkt het? Door daar onderzoek naar te doen, kunnen hulpverleners doelgerichter en efficiënter werken.

Eén op de vijf jongeren heeft wel eens last van depressieve gevoelens. Soms kunnen deze gevoelens zich verder ontwikkelen tot een depressieve stoornis met daarbij problemen zoals schoolverzuim, slechte schoolprestaties, sociaal isolement, middelenmisbruik en zelfs suïcide. Depressiepreventie is daarom hard nodig onder middelbare scholieren om deze problemen te voorkomen.

Gelukkig zijn er veel behandelingen beschikbaar die depressie mogelijk kunnen voorkomen. De meeste behandelingen zijn gebaseerd op Cognitieve Gedragstherapie (CGT). Dit is een therapievorm waarbij de focus ligt op het veranderen van gedachten en gedrag, en daarmee ook gevoel.  Het wordt vaak gebruikt om somberheid bij jongeren te verminderen en te voorkomen, en blijkt voor veel jongeren ook écht te werken.

Maar eigenlijk weten hulpverleners vaak niet waarom het nu precies werkt, met andere woorden; welk gedeelte zorgt er nu voor dat het werkt? Tot nu toe is vooral gekeken of de hele behandeling werkt, maar niet welk gedeelte. Om te weten welk gedeelte maakt dat een behandeling werkt en wat werkt voor wie, is het STARr-project opgezet.

STARr staat voor ‘Solve, Think, Act, Relax and repeat’. In dit project screenen we middelbare scholieren op mogelijke sombere gevoelens en gedachten. Jongeren die hoger scoren dan gemiddeld, bieden we een preventieve groepstraining aan op school die is gebaseerd op CGT (de STARr-training). In de STARr-training leren jongeren vaardigheden om makkelijker met dingen om te gaan. De training bestaat uit vier veelgebruikte onderdelen binnen CGT, die worden aangeboden als losse modules.

Middels vragenlijsten en interviews worden de jongeren gevolgd gedurende de training, zodat we kunnen onderzoeken welk gedeelte maakt dat CGT werkt en wat werkt voor wie. Ook bekijken we of de volgorde uitmaakt waarin de jongeren de verschillende onderdelen krijgen. Met meer informatie over welk gedeelte nu specifiek werkt en bij wie deze het beste werkt, kunnen hulpverleners doelgerichter en efficiënter werken.

Bron: Trimbos instituut

 

Eén op twaalf jongeren kampt met psychische klacht
8 procent van de 12- tot 25-jarigen kampt met psychische klachten. Dat blijkt uit de Gezondheidsenquête van het CBS.

Over het algemeen voelen jongeren zich even gezond als tien jaar geleden. Onder de kinderen en jongeren die door CBS worden gekenmerkt als 'psychisch ongezond' blijken de meisjes in de meerderheid te zijn. Verder hebben 18- tot 25-jarigen vaker psychische klachten dan 12- tot 18-jarigen.

Een derde van de jongeren met psychische klachten kampte het afgelopen jaar met een depressie. Ook hebben zij, vaker dan jongeren zonder psychische klachten, last van migraine, allergieën, duizeligheid en rugklachten.

Het onderzoek is uitgevoerd op basis van een enquête onder kinderen en jongeren waarin vijf vragen werden gesteld over hun gezondheid.

Bron: CBS


Veiligheid en affectie bepalen schoolmotivatie
Veiligheid en affectie zijn de belangrijkste aspecten die bepalen of leerlingen zich prettig voelen, gemotiveerd zijn voor school en goed presteren. Dat concludeert Mariola Gremmen uit onderzoek waarop ze op 1 november promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Gremmen bestudeerde onder andere basisschoolleerlingen die gepest worden, minder vrienden hebben, vaker afgewezen worden, en niet of minder populair zijn dan andere leerlingen. Zij blijken vaak slechter te presteren op school. Vooral wanneer is sprake is van drie of meer negatieve vormen van contact lijden betrokkenheid, motivatie en prestaties daaronder. Volgens Gremmen moeten leerkrachten daarom naast het academisch functioneren ook oog hebben voor de sociale relaties en het welzijn van leerlingen, om een gezonde ontwikkeling van de kinderen te stimuleren.

Voor haar onderzoek gebruikte Gremmen onder andere sociale netwerken, interviews, vragenlijsten en gegevens van leerlingen die meerdere jaren zijn gevolgd in het primair en voortgezet onderwijs.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen


Ruimte kinderopvang bepalend voor speelgedrag kind 
Exploratief en sociaal gedrag van kinderen is gerelateerd aan de ruimte en de inrichting van de binnenspeelruimte van kinderdagverblijven. Dat concludeert Ine van Liempd in haar proefschrift, waarop ze op 16 november promoveert aan de Universiteit Utrecht.

Van Liempd deed onderzoek bij tien verticale groepen in tien kinderdagverblijven. De leeftijd van de geobserveerde kinderen varieerde van 1 tot 4 jaar. De kinderen gebruikten diverse ruimtelijke elementen. De vrije vloer werd het meest gebruikt, en ook voor de meeste doeleinden, zoals rondlopen, springen, kruipen en rennen. De vloer is dus, behalve verkeersruimte, ook een belangrijke speelplek, volgens Van Liempd. Ook tafels werden veelvuldig gebruikt. Kinderen die door hun pedagogisch medewerker werden beoordeeld als meer taakgericht, bleken elementen in de ruimte intensiever te exploreren.

Om kinderen in staat te stellen een variatie aan mogelijkheden te exploreren, heeft een verticale groep meer dan één ruimte nodig, zegt Van Liempd. Ze betreurt het dat de meeste groepen in Nederlandse kinderopvang maar over één eigen binnenspeelruimte beschikken.

Bron: Universiteit Utrecht

 
Invoering kind- en gezinsgerichte aanpak complex
Er zijn diepgaande veranderingen nodig bij jeugdzorginstellingen op organisatie- en professioneel niveau, om te kunnen werken conform een kind- en gezinsgerichte aanpak. Dat blijkt uit het proefschrift van Nienke van Veelen, waarop zij op 10 oktober promoveerde aan de Vrije universiteit Amsterdam.

De kind- en gezinsgerichte aanpak moet zorgen dat kinderen veilig opgroeien, maar dat blijkt soms lastig te vertalen naar de praktijk. Van Veelen onderzocht daarom het inbedden van de aanpak in instellingen en onder professionals. Ze deed haar onderzoek bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam waar men eerder het Intensief Systeemgericht Casemanagement (ISC) ontwikkelde en implementeerde om meer hulp op maat te kunnen bieden en de organisatie flexibeler te maken. Voor het onderzoek maakte ze gebruik van interviews, groepsdiscussies en observaties.

Voor organisaties in de jeugdzorg is het een grote uitdaging om de kind- en gezinsgerichte aanpak in te bedden in hun instelling, zo concludeert Van Veelen. Een kant-en-klaar pakket hiervoor bestaat niet. Organisaties moeten zich daarom ontwikkelen tot een lerende organisatie en moeten zorgen dat de visie gedragen wordt door alle medewerkers. Zo leidt Jeugdbescherming Regio Amsterdam medewerkers op om andere medewerkers te trainen. En de professionals reflecteren op hun werk binnen multidisciplinaire teams. Ook experimenteren zij met jaarlijkse interne audits.

Anita Kraak, programmaleider Veilig opgroeien bij het Nederlands Jeugdinstituut, onderschrijft het belang van een kind- en gezinsgerichte aanpak. Bij complexe problemen moet die het aanbod van individuele organisaties overstijgen, stelt ze. 'Partijen binnen en buiten het jeugdveld moeten hun expertise met elkaar verbinden. Alleen samen kunnen we ervoor zorgen dat kinderen veilig, gezond en kansrijk opgroeien.'

Bron: Vrije Universiteit Amsterdam; Jeugdbescherming Regio Amsterdam

Edities 2018

september | oktober