Nieuwsupdate oktober 2018

In deze nieuwsupdate kunt u een column lezen van Josien de Bie. Zij is vaste columnist van Tijdschrift voor Orthopedagogiek. Daarnaast delen wij graag het actuele nieuws met u. Wilt u in de toekomst ook de nieuwsupdate van TvO ontvangen? Klik hier en schrijf u dan gelijk in!

Column: Hersenkrakers

De Bie all

Ik ben (neuro)bioloog en ik heb de laatste tijd vaak ruzie. Ik heb ruzie over sapjes, vaccinaties en of Heineken wel echt bier te noemen is.

Het vreemde is dat ik bij de eerste twee onderwerpen schijnbaar net zo weinig autoriteit heb als bij het laatste. Voor mij is het vrij nieuw, maar de orthopedagogiek zal er wel al veel langer mee te maken hebben gehad. Want als het op kinderen aankomt, vindt iedereen wel iets.

Wat men dan feitelijk bedoelt, is: ‘Ik observeer het gedrag ook en kan daar wel mijn eigen conclusies uit trekken.’ Dat is natuurlijk waar, maar hoe valide zijn die conclusies? Wij biologen hebben dat probleem normaal gesproken niet. Als een kind een verhoogde lichaamstemperatuur heeft, heeft het koorts, ongeacht of de ouder vindt dat het kind zich koortsachtig gedraagt. Met fysiologie valt ten minste niet te twisten. Fysiologie is de ‘be all and end all’.

Daarom heb ik vaak ruzie met psychologen over de behandeling en de diagnostiek van psychologische aandoeningen. Als ik bijvoorbeeld iemand hoor zeggen: ‘We weten wat autisme is en hoe het veroorzaakt wordt’, raak ik ernstig uit m’n humeur. ‘Oh ja?!’ wil ik dan roepen, ‘wij weten dat anders helemaal niet!’ Vaak is het dan al tot een handgemeen gekomen voordat de theorieën over ‘moeilijkheden met verwerking van informatie’ ter sprake zijn gekomen. Dat is waarschijnlijk maar goed ook, want van die theorieën word ik zo mogelijk nog bozer. Ze zijn heel plausibel en nuttig in het veld van behandeling, maar hebben nog) geen biologische basis. En daar word ik kennelijk agressief van.

Die agressie komt waarschijnlijk voort uit regelrechte jaloezie. Ik moet als bioloog zo ontzettend voorzichtig zijn met wat ik zeg te weten. Zelfs als ik het zelf heel zeker weet, moet ik mijn theorie nog fraseren als: ‘Ik denk dat x mogelijk een rol speelt in y.’ Als je komt met een stelliger stelling, staan je collega’s al klaar om je te fileren met een wel geplaatst ‘Hoe werkt dat dan?’ Als je dan geen biologisch mechanisme kunt verleggen, wordt je in de pan gehakt. Dan kijk je wel uit met dingen ‘weten’.

Ik weet dus vrijwel niks over autisme en dat is jammer, want onlangs vroeg een oud-huisgenoot: ‘Jij bent toch neurobioloog? Wat weet je over autisme?’ Ze werkte op dat moment met de stichting ‘Horseboy’, die claimt autistische kinderen te helpen door interactie met paarden. Want dat werkt kennelijk. Maar HOE kun je dan zo zeker weten dat zo’n behandeling werkt? Volgens welk mechanisme zou dat dan moeten gaan? Dat weten ze niet en kennelijk hoeft dat ook helemaal niet. Het blijkt dat zowel de diagnostiek als de effectiviteit van behandeling bepaald wordt met behulp van gedragsparameters. En het zijn die gedragsparameters waar ik moeite mee heb. Nou ja, ik heb er eigenlijk vooral moeite mee dat ik kennelijk niks weet en dat de gedragsspecialisten mogen zeggen dat ze wel vanalles weten. Mijn ego kan daar  slecht tegen dus dan ga ik moeilijk doen over hoe gevoelig gedragsparameters zijn voor observatie- en interpretatiebias. Afhankelijk van mijn stemming, verwoord ik dat dan met een meer of minder elegante versie van ‘je verzint ze waar je bijstaat’.

Het is op dat punt dat de meeste psychologen mij vaak willen slaan. ‘Wat moeten we anders?’ roepen ze dan. ‘Er is nog geen fysiologische marker voor dit soort aandoeningen! En zolang die er niet is, kunnen we die mensen toch niet onbehandeld laten?’ 

Is ook weer waar natuurlijk. En als ik heel eerlijk ben: die fysiologische biomarkers waar ik zo’n voorstander van ben kunnen eigenlijk alleen maar ontdekt worden met behulp van de diagnoses die eerst vastgesteld zijn met behulp van gedragsparameters. Als ik zesendertig samples van schizofreniepatiënten wil analyseren op de aanwezigheid van een neurotransmitter, moet er eerst wel iemand zijn die die patiënten als zodanig gediagnosticeerd heeft. En als ik dan vermoed dat ik een biomarker gevonden heb, moet dat weer getest worden aan de psychologische diagnostiek. Het probleem met fysiologie is dat je maar net op het juiste moment op de juiste manier naar de juiste parameters moet kijken om iets te vinden. We hebben juist de gedragsparameters nodig om ons een idee te vormen van waar we überhaupt moeten beginnen met zoeken. Dus eigenlijk is in deze het gedrag de ‘be all and end all’. 

Ik vrees dus dat ik nooit meer ruzie mag maken met psychologen over het gebruik van gedrag als parameter voor diagnostiek en behandeling. Zolang een aandoening grotendeels fysiologisch onbekend is, moeten (medisch) biologen zich gewoon koest houden en luisteren naar de mensen die er verstand van hebben. Zo hebben we allebei meer tijd om ruzie te maken met het soort mafkezen die denken dat autisme wordt veroorzaakt door vaccinaties.

Josien de Bie behaalde haar Master in Biologie aan de Universiteit van Groningen en haar PhD in Neurowetenschap in Sydney. Ze is wetenschapscommunicator, jazz zangeres, standup comedian, oprichtster van genderbrain.com en een woesteling in het de-bunken van gendermythes. Zij zal de komende tijd columns schrijven over haar bezigheden.

Actueel 

Wat houdt je uit de criminaliteit als je erin opgroeit? 
Wat helpt om uit de criminaliteit te blijven ondanks je opvoeding in een criminogene omgeving? Sheila Adjiembaks, promovenda aan de Open Universiteit, onderzocht dit aan de hand van twintig levensverhalen van zogeheten resisters: personen die geen criminele carrière hebben, maar wel in een crimineel milieu zijn opgegroeid. Zij concludeert dat het uitblijven van delictgedrag zowel verlies (van bijvoorbeeld sociale relaties en kind zijn) maar ook winst (weerbaarder dan anderen zijn) oplevert gedurende het leven. Klik hier en lees verder over haar onderzoek. 

Opvoeder kan een belangrijke rol spelen bij radicalisering
Het loont om vanuit de opvoeding naar radicalisering te kijken. Niet omdat ouders hun kinderen radicale idealen bijbrengen, maar omdat ouders op de achtergrond een belangrijke rol kunnen spelen bij radicalisering. Dat schrijft Elga Sikkens in haar promotieonderzoek. Radicalisering, of het nu om extreemlinkse, extreemrechtse of extreem religieuze idealen gaat, kan gezien worden als een normale ideaalontwikkeling die ontspoort. Ouders kunnen de radicalisering van hun kinderen mogelijk sturen door met hun kinderen te praten over ingewikkelde kwesties als terroristische aanslagen, extremisme, discriminatie en onrecht. Ouders hoeven daarvoor geen kant en klare antwoorden te hebben, veel belangrijker is dat zij luisteren naar de frustraties van hun pubers, interesse tonen in hun ideeën en een tegengeluid laten horen wanneer nodig. Klik hier en lees verder over haar onderzoek. 

Selectie voor adolescentenstrafrecht niet eenduidig
Reclasseringsmedewerkers en pro-Justitiarapporteurs vinden het lastig te beoordelen of de ontwikkeling van jonge verdachten 'onvoltooid' en zij dus in aanmerking komen voor adolescentenstrafrecht. Dat blijkt uit een onderzoek door het WODC. Adolescentenstrafrecht houdt in dat de mate van ontwikkeling van verdachten tot 23 jaar bepaalt of zij worden berecht volgens het jeugd- of het volwassenenstrafrecht. Het jeugdstrafrecht wordt toegepast als de emotionele, sociale, morele of intellectuele ontwikkeling van de verdachte 'onvoltooid' is en een pedagogische aanpak zin heeft. Reclasseringsmedewerkers en pro-Justitiarapporteurs adviseren daarover, maar zij beschikken niet altijd over de kennis die daarvoor nodig is. Ook vindt de keuze voor het type strafrecht al vroeg in het justitiële traject plaats, wanneer nog weinig informatie over de verdachte beschikbaar is.
Het WODC adviseert om screeningsinstrumenten voor de toepassing van adolescentenstrafrecht te standaardiseren. Ook moet de kennis verbeteren bij het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht over criminaliteit van jongvolwassenen en de pedagogische mogelijkheden van het jeugdstrafrecht. Verder zou bij strafzaken van verdachten tot 23 jaar het uitgangspunt moeten zijn 'jeugdstrafrecht, tenzij', in plaats van 'volwassenenstrafrecht, tenzij'. Bron: WODC

POH’er werkt
Uit een pilot in Steenwijkerland blijkt dat jongeren sneller en dichter bij huis geholpen kunnen worden door een praktijkondersteuner huisartsenzorg (POH’er) jeugd-ggz in een huisartsenpraktijk. Zowel ouders als kinderen zijn zeer tevreden over deze vorm van begeleiding. Bron: nji.nl

Pleegkinderen willen hun verleden begrijpen
Uit gesprekken met jongeren die opgroeien in een pleeggezin blijkt dat zij behoefte hebben om hun verleden te begrijpen. Dit wijst onderzoek van Anne Steenbakkers uit. Jongeren willen hiervoor eerst goede gespreksvaardigheden ontwikkelen en minder geëmotioneerd raken door hun verhaal. Daarbij helpt het als anderen interesse tonen en er een vertrouwensband is opgebouwd. Steenbakkers concludeert echter ook dat er grote verschillen zijn tussen de jongeren: waar de één behoefte heeft om het verleden te verwerken, wil de ander zich liever richten op de toekomst. Steenbakkers pleit voor meer jongerenparticipatie in de pleegzorg. Bron: rug.nl

Vaak verlies van contact met ouder na scheiding
20 procent van de volwassenen tot 46 jaar met gescheiden ouders had het afgelopen jaar geen contact met hun vader. 5 procent had geen contact met hun moeder. Dat blijkt uit een onderzoek naar de langetermijneffecten van scheiding door de Universiteit van Amsterdam en het CBS.
Bijna een op de vijf volwassenen die geboren zijn tussen 1971 en 1991 woonde een deel van hun jeugd niet bij beide ouders. In 75 procent van de gevallen kwam dat door een scheiding, bij 14 procent was een ouder overleden en 10 procent groeide op in een eenoudergezin. De overgrote meerderheid woonde bij hun moeder. Daardoor hadden ze meer contact met een eventuele stiefvader dan met een stiefmoeder: 42 procent van de respondenten uit een niet-intact gezin woonde in een gezin met een stiefvader en 22 procent met een stiefmoeder.
Anita Kraak, programmaleider Veilig opgroeien bij het Nederlands Jeugdinstituut, benadrukt het belang van contact met beide ouders na een scheiding. 'Chronische conflicten tussen ex-partners kunnen bij kinderen leiden tot problemen, weten we uit eerder onderzoek. Een scheiding is voor kinderen al moeilijk genoeg te verwerken. Het is belangrijk dat ouders hun gezamenlijk ouderschap overeind houden, ook als hun partnerschap eindigt. Daarom moeten we problemen na een scheiding vroeg signaleren en snel passende steun en zorg bieden.' Bron: CBS; Nederlands Jeugdinstituut 

Verklaringen voor agressief gedrag
Mannelijke adolescenten met ASD en ODD/CD laten overeenkomstige afwijkingen zien in hormonale concentraties, emotieverwerking en de wijze waarop ze kijken naar gezichten met emotionele lading. Dit blijkt uit onderzoek van Mireille Huvenaars. Huvenaars stelt dat verder onderzoek noodzakelijk om te kunnen vaststellen of de afwijkingen specifiek zijn voor deze stoornissen, of dat de afwijkingen kenmerkend zijn voor mensen met psychopathologie in het algemeen. Bron: radboudumc.nl


Edities 2018

september |

 

cover tijdschrift

 

Nieuwsbrief

Vul uw e-mailadres in en ontvang onze nieuwsbrief.