Nieuwsupdate maart 2019

Column In zicht

Meer aandacht voor gesprek bij vermeend seksueel misbruik

Het is 7 december 2010, vlak na Sinterklaas. Opsporing Verzocht toont een foto van een tweejarig jongetje met een Nijntjeknuffel.

De foto is afkomstig van een Amerikaans onderzoek naar kinderporno. De opa van het kereltje herkent de foto en dezelfde avond nog wordt Robert M. aangehouden. Uiteindelijk zal hij worden veroordeeld voor het misbruiken van 67 kinderen in wat inmiddels bekendstaat als de Amsterdamse zedenzaak.
Hoeveel kinderen op jaarbasis te maken krijgen met seksueel misbruik is niet duidelijk. Kinderen vertellen er vaak niets over, omdat ze zich schamen, angstig zijn of omdat ze er simpelweg de woorden niet voor hebben. Dat maakt het essentieel om meer zicht te krijgen op symptomen die op seksueel misbruik wijzen. In haar promotieonderzoek keek Thekla Booschaart daarom naar twee groepen: een grote groep van kinderen die in vijf jaar tijd werden onderzocht in het Emma Kinderziekenhuis-Academisch Medisch Centrum vanwege een vermoeden van seksueel misbruik, en een groep van kinderen die in de spoedpoli van het Academisch Medisch Centrum werden gezien naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak.
Uit het onderzoek van Bosschaart blijkt dat slechts 18 procent van de kinderen bij wie een vermoeden bestaat van seksueel misbruik, een daadwerkelijke onthulling doet. Zo’n onthulling geldt als een sterke indicatie dat er inderdaad seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, maar tegelijkertijd is het geen onomstotelijk bewijs. Ook duidelijke fysieke signalen zijn vaak niet aanwezig, aldus Bosschaart. In de Amsterdamse zedenzaak kon bijvoorbeeld bij geen van de kinderen penetrerend letsel worden vastgesteld. Dit komt doordat fysieke signalen vaak niet leiden tot permanent letsel en dat de kans op het vinden van letsel sterk afneemt met de tijd. Wat Bosschaart wél opviel, was dat veel kinderen tijdens het medische onderzoek opvallend gedrag vertoonden. Zo was een aantal kinderen extreem angstig of verlegen bij het uitkleden, of lieten ze juist uitdagend gedrag zien. Het lijkt er dan ook op dat gedragsmatig onderzoek tijdens het medische onderzoek wellicht meer inzicht biedt dan het medische onderzoek zelf.
Wat zijn andere signalen die een vermoeden kunnen versterken? Bosschaart zag dat veel kinderen lichamelijke klachten hadden. Zo kwamen met name maag-darmklachten, buikpijn en verstopping vaak voor. Het probleem is echter dat dergelijke lichamelijke klachten niet specifiek zijn voor seksueel misbruik. Sterker nog, ze kunnen ook goed veroorzaakt worden door andere problematiek. Veel kinderen lieten daarnaast psychische problemen zien: symptomen van posttraumatische stress, een onverklaarde achteruitgang in zindelijkheid of problemen uitgelokt door blootstelling aan de pleger of de locatie waar het misbruik plaatsvond. Volgens deskundigen zijn deze psychische problemen ‘red flags’, signalen die wijzen in de richting van seksueel misbruik. Ook liet een aantal kinderen  niet bij de leeftijd passend seksueel gedrag zien. Maar net als bij de lichamelijke problemen geldt ook hier dat de interpretatie van psychische problemen of seksueel gedrag zeer complex is. 
Het onderzoek van Bosschaart is vooral een getuigenis van de beperkte mogelijkheden die we hebben om seksueel misbruik bij kinderen vast te stellen. Maar liefst 12 van de 32 kinderen uit de Amsterdamse zedenzaak bij wie sprake is geweest van orale, anale en/of vaginale penetratie lieten géén psychosociale klachten zien. Bij een groot gedeelte van de kinderen bij wie seksueel misbruik wel was bewezen door de politie (via foto- en/ of filmmateriaal), werd dan ook op basis van een deskundigheidsoordeel een lage verdenking op seksueel misbruik afgegeven. Aan de andere kant hadden deskundigen bij een grote groep kinderen wél ernstige vermoedens die niet konden worden gestaafd met politieonderzoek.
Ligt dat aan de experts? Volgens Bosschaart niet. Kinderen vertonen een grote diversiteit aan aspecifieke klachten, waardoor hét gedragspatroon bij seksueel misbruik niet bestaat. Bosschaart is dan ook groot voorstander van meer aandacht voor het beter begeleiden van kinderen in het praten over seksueel misbruik. Dat betekent dat we aandacht moeten besteden aan het creëren van een veilige omgeving, herhaald moeten vragen naar vermeend misbruik, openstaan voor een eventuele onthulling, en onze eigen emotionele reacties moeten beperken.
We kunnen het seksueel misbruik er misschien niet mee voorkomen, maar zijn daarmee wél in staat slachtoffers sneller en beter te begeleiden.

Mieke Ketelaars
Klik hier voor het volledige proefschrift van Thekla Bosschaart


Actueel 

Ervaringskennis professionals draagt bij aan betere zorg
Het inzetten van ervaringsdeskundigheid van professionals in de zorg kan een belangrijke bijdrage leveren aan het herstel van mensen met psychische problemen. Dat blijkt uit een "SIA RAAK-onderzoek" dat op 22 maart werd afgesloten met een symposium. HU-onderzoeker Simona Karbouniaris was erbij betrokken en start in maart een vervolgonderzoek. “We moeten af van het stigma op psychische problemen.”
Het inzetten van ervaringsdeskundigheid in zorg en welzijn staat sinds enkele jaren sterk in de belangstelling. Ervaringsdeskundigen staan dicht bij de cliënt en begrijpen wat het is om een diagnose of een stigma te krijgen. Zij hebben vaak creatieve oplossingen, kunnen vanuit eigen ervaring bemoedigen en verminderen het stigma dat participatie kan blokkeren. Zij belichamen de hoop dat er ook na een ontwrichtende levensgebeurtenis of met een stoornis een plek in de maatschappij is.

Taboe
Maar het inzetten van ervaringsdeskundigheid is niet vanzelfsprekend, zeker niet voor professionals in zorg en welzijn. “Veel professionals ontkoppelen hun ervaringskennis als ze aan het werk gaan”, zegt Simona Karbouniaris. “Zij houden dat geheim.” Als onderzoeker van het lectoraat Participatie Zorg en Ondersteuning van Hogeschool Utrecht was zij betrokken bij het onderzoek Ervaringsdeskundigheid van zorgprofessionals. Dat werd geleid door Alie Weerman, lector GGZ en Samenleving aan Hogeschool Windesheim. “Het is de cultuur binnen de GGZ en binnen het welzijnswerk: je praat er niet over als je zelf te maken hebt of hebt gehad met psychische problemen. Er rust een taboe op.”

Lees het hele artikel op: www.psychosociaaldigitaal.nl
Bron: Hogeschool Utrecht

Schooladvies bepalend voor onderwijssegregatie
De mate van segregatie bij middelbare scholen is deels te verklaren door het schooladvies dat leerlingen krijgen. Deels blijkt segregatie ook een keuze van de leerlingen zelf. Dat blijkt uit onderzoek waarop Sándor Sóvágó op 22 maart promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Sóvágó onderzocht de hoge mate van schoolsegregatie in Amsterdam aan de hand van administratieve gegevens en keek naar de voorkeuren van leerlingen zelf. Het geadviseerde niveau van leerlingen blijkt bepalend te zijn voor hun schoolkeuze. De adviezen voor leerlingen met een migratieachtergrond zijn namelijk gemiddeld een stuk lager. Daarnaast kiezen leerlingen liever voor een school met veel leerlingen uit hun eigen etnische groep. Woonsegregatie en capaciteitsbeperkingen op scholen spelen slechts een beperkte rol.
Sóvágó stelt dat het instellen van een quotum voor minderheden segregatie aanzienlijk kan verminderen. Ook maatregelen om de verschillen te verkleinen in bassisschooladviezen tussen leerlingen met en zonder migratieachtergond en tussen arm en rijk kunnen daarbij helpen. Wel concludeert hij dat dit kan leiden tot minder tevreden leerlingen.
"Dit onderzoek geeft aan hoe belangrijk aandacht voor en het tegengaan van segregatie in het onderwijs is", zegt Charlotte Dopper, adviseur bij het Nederlands Jeugdinstituut. "Het is goed te verklaren waarom leerlingen kiezen voor "de beste school" binnen het geadviseerde onderwijsniveau en waarom zij graag met vrienden en vriendinnen uit de eigen etnische groep naar school gaan. Om op dit thema verschil te maken, is een kanteling in systemen en modellen nodig."
Bron: Vrije Universiteit Amsterdam; Nederlands Jeugdinstituut

Praat met migrantenouders over heikele thema's
Ouders met een migratie-achtergrond willen in de opvoedondersteuning graag praten over "heikele thema's", zoals religie en waarden, terwijl professionals dit vaak lastig vinden. Dat blijkt uit onderzoek van het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS).
Opvoedondersteuning is nog onvoldoende afgestemd op de problemen waar ouders met een migratie-achtergrond tegenaan lopen, constateert het KIS. Uit de pilot Weerbaar opvoeden, uitgevoerd in vijf gemeenten, blijkt dat voor veel islamitische ouders de opvoeding moet aansluiten bij religieuze tradities en regels. Daar willen ze ook graag over praten met professionals.
Gelijkwaardigheid, wederkerigheid en vertrouwen zijn voorwaarden voor een goede relatie tussen ouders en professionals. Ook is het zaak gebruik te maken van de ervaringsdeskundigheid van andere ouders zodat zij van elkaar leren.
Sofie Vriends van het Nederlands Jeugdinstituut herkent de conclusies van het KIS. "In deze tijd van polarisatie tussen bevolkingsgroepen moet je in de opvoeding over die thema's praten. Professionals moeten voldoende worden toegerust om ouders met verschillende achtergronden daar goed bij te ondersteunen. De kennis op het Platform JEP kan daarbij helpen."
Bron: Kennisplatform Integratie & Samenleving; Nederlands Jeugdinstituut

Gesloten jeugdhulp vaak door gebrek aan alternatief
Een plaatsing in gesloten jeugdhulp is vaak geen gerichte keuze voor een behandeling, maar bij gebrek aan een goed alternatief. Het halveren van het aantal gesloten plaatsen is een goede eerste stap om daar iets aan te doen, stelt Maria de Jong-de Kruijf, die op 7 maart aan de Universiteit Leiden promoveerde op haar onderzoek naar de rechtsgronden van gesloten jeugdhulp.
Er zijn te weinig passende alternatieven voor gesloten jeugdhulp, concludeert De Jong uit haar analyse van 586 rechterlijke uitspraken. Vrijheidsberoving op opvoedkundige gronden is in principe toegestaan. Maar een behandeling moet wel meer bieden dan alleen rust en stabiliteit, vindt De Jong. Daarbij moet altijd de vraag centraal staan: kan het minder ingrijpend, dus zonder vrijheidsberoving? De motivering die rechters geven voor een gesloten plaatsing gaat vaak meer over het probleem van het kind dan over de oplossing die de plaatsing moet bieden.
Het moet wettelijk verplicht worden om in een verzoek om gesloten plaatsing uit te leggen waarom pleegzorg of een andere vorm van residentiële zorg geen goed alternatief is, adviseert De Jong. Verder zou de kinderrechter in zijn beschikking concrete doelen en de reactie van het kind op die doelen moeten vastleggen.
Directievoorzitter Ans van de Maat van het Nederlands Jeugdinstituut onderschrijft de nadruk op behandeling waar De Jong voor pleit. "Het vertrekpunt is het woon- en opgroeiperspectief voor een kind en de hulp die daarvoor nodig is. Niet de plek die toevallig beschikbaar is. Zonder dat perspectief heeft een behandeling geen effect." Volgens Van de Maat ligt de oplossing voor passende hulp niet in het creëren van ander aanbod.  "Zolang we in termen van aanbod blijven denken, krijgen we alleen maar variaties op hetzelfde. Deze kinderen vragen een individuele benadering die zich niet laat begrenzen door een gefixeerd aanbod."
Bron: Universiteit Leiden; Nederlands Jeugdinstituut

Kinderparticipatie in jeugdbescherming vraagt om tijd en aandacht
Gezinsmanagers in de jeugdbescherming hebben moeite om kinderen te laten participeren in de besluitvorming over hulpverlening. Dat blijkt uit onderzoek bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA), waarop Ganna van Bijleveld op 21 maart promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Kinderen willen hun mening geven en horen waarom uiteindelijke keuzes in de hulpverlening gemaakt worden. Ze willen niet bij alle gesprekken betrokken zijn, maar wel weten wat er besproken wordt. Van Bijleveld merkte dat kinderen vanaf 6 jaar al kunnen meedenken over wat goed voor hen zou zijn.
Ganna van Bijleveld onderzocht hoe kinderparticipatie in de jeugdbescherming in de praktijk gaat, wat de kinderen en de professionals zouden willen en waarom het moeilijk is om dit in de praktijk te brengen. Zij ontdekte dat er een groot spanningsveld is tussen bescherming, participatie en kindbeeld. Om daadwerkelijk een verandering teweeg te brengen moeten alle drie de aspecten worden meegenomen. Vooral moeten de kinderen en hulpverleners erkennen dat het een veranderproces is waar veel tijd en aandacht voor nodig is.
Binnen de jeugdbescherming worden levensingrijpende beslissingen genomen voor kinderen. Wetenschappelijk onderzoek binnen jeugdbescherming en jeugdhulpverlening heeft aangetoond dat het betrekken van kinderen in de besluitvorming kinderen helpt in hun ontwikkeling en bijdraagt aan beter passende interventies. De praktijk laat zien dat, ondanks dat het een recht is van kinderen om betrokken te worden bij dit soort beslissingen, het lastig is voor de professionals dit ook daadwerkelijk te doen.
Van Bijleveld deed onderzoek bij de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA) en maakte gebruik van participatieve onderzoeksmethoden. De kinderen die door JBRA en de casemanagers worden begeleid, zijn daarbij als experts betrokken. Zo kreeg zij een goed beeld en kon zij samen met de kinderen een interventie ontwikkelen.
Het onderzoek van Van Bijleveld sluit aan bij de huidige discussie over inspraak van kinderen bij beslissingen en ook bij de discussie over zelfredzaamheid en eigen regie. De resultaten laten zien wat er nodig is om kinderparticipatie beter vorm te geven in de praktijk.

Meer informatie over het proefschrift: http://dare.ubvu.vu.nl/handle/1871/55950
Bron: Vrije Universiteit Amsterdam; Nederlands Jeugdinstituut