Nieuwsupdate januari 2019

In deze nieuwsupdate kunt u een column lezen van Josien de Bie. Daarnaast delen wij graag het actuele nieuws met u. Wilt u in de toekomst ook de nieuwsupdate van TvO ontvangen? Klik hier en schrijf u dan gelijk in!

Column 'Duivenbrein'

‘Mijn familie heeft herinneringen aan de toekomst.’ Hij zegt het met een toepasselijk Dracula-accent. Nou ja, niet expres, hij komt gewoon uit Roemenië en zo praten ze daar.
Het is best een mooie meneer. Hij is echter een Tinderdate en ik zou beter moeten weten dan met Tinderdates serieuze gesprekken te beginnen. Maar hij wilde heel ego strelend weten wat ik er dan van vond als neurowetenschapper. ‘Hm, tja …, als neurowetenschapper ... vind ik het... tja hoe zeg je dat? Oh ja: dikke onzin.’ Ik heb nog geprobeerd aan hem uit te leggen dat je als wetenschapper juist uit moet gaan van reproduceerbare data uit experimenten in plaats van hoop en anekdotes. ‘Zo moet je niet denken,’ zei hij. Maar ja, als wetenschapper moet je wel, anders is het geen wetenschap.

Ik voelde mezelf weer even een op en top coole wetenschapper: alleen uitgaan van de data, geen gevoelens, geen geloof, harde cijfers, en zelfs daar nog sceptisch over zijn. Ik zag mezelf weer helemaal zitten aan mijn elektrofysiologie-opstelling, bezig met microchirurgie, in mijn labjas met mijn gelukssokken aan. Oh ja, mijn gelukssokken.

Elektrofysiologie is prachtig werk, maar het kan ook ongelooflijk frustrerend zijn. De voorbereidende chirurgie duurt vier tot zes uur, dan moet het preparaat stabiliseren en dan moet je hopen dat je extreem gevoelige apparatuur niet per ongeluk elektrische signalen oppikt van de vele elektronische apparaten om je heen. Elke meting duurt ongeveer een half uur, dus als er niks misgaat, haal je uit een twaalf uur durend experiment zo’n zes metingen. Er kan zoveel mis gaan, en maar een klein deel daarvan heb je zelf in de hand. Het gebeurt dus regelmatig dat je na een 10-16 uur durend experiment (had ik al gezegd dat je constant bij het preparaat moet blijven?) weinig tot geen data hebt.

Dus wat krijg je als er iets is wat verschrikkelijk belangrijk is maar waar je bijna geen controle over hebt? Gelukssokken. Een ritueel, een talisman, een volledig verzonnen ding zodat je toch een beetje schijncontrole hebt omdat je anders gek wordt (denk ik, ik ben geen psycholoog). Dus bij ons op het lab was het doodnormaal dat mensen gelukssokken hadden, of nooit op een woensdag een experiment deden, of juist altijd op woensdag. Ik weet ook van een lab waarbij na een verhuizing de experimenten steeds misgingen. Na weken frustratie suggereerde een Haïtiaanse postdoc om een kip ondersteboven aan de deurpost te hangen. Om arboredenen werd het een rubberen kip, maar sindsdien ging er steeds minder mis. Omdat we wetenschappers zijn, weten we van de bevestigingsbias die ten grondslag ligt aan dat soort verhalen. Toch zouden de meesten van ons wel mee zijn gegaan in die rubberen-kip-actie. Niets menschelijks is den wetenschapper tenslotte vreemd. Het doet me denken aan een artikel over ‘bijgelovige duiven’ (1947) van onze goede vriend Skinner. In dat experiment werden duiven op willekeurige momenten gevoerd. De duiven bleken het gedrag dat ze op die willekeurige momenten vertoonden te gaan herhalen in de hoop dat ze met dat gedrag meer voedsel zouden verdienen. De herhaling van het gedrag verhoogde vervolgens de kans dat het vertonen van het gedrag en het krijgen van voedsel zouden samenvallen. De onderzoeksomstandigheden voor de duiven wijken niet veel af van de ‘high stakes, low control’- situatie die in ons elektrofysiologielab voor een zelfde soort conditionering zorgde. De ‘post hoc, propter hoc’-drogreden is dus misschien niet zozeer iets menselijks alswel iets van alle lerende dieren. Als ik er zo over nadenk, stoor ik me minder aan bijgelovige mafkezen als mijn Tinderdate.

Het soort conditionering dat tot bijgeloof kan leiden is tenslotte ook waar de wetenschap oorspronkelijk vandaan komt. Elke wetenschappelijke ontdekking begint ooit met een observatie van een coïncidentie; van daaruit groeit een theorie over de causatie. Wij hebben als mens met de wetenschap een manier gevonden om die causatie te onderzoeken met omzeiling van ons ‘duivenbrein’, dat zo graag in voodoo gelooft. We vinden binnen onze rigoureuze methoden zelfs een nuttige plek voor dat ‘duivenbrein’. Als ik daar zo over nadenk, ben ik daar best wel trots op.

De Tindermeneer is ondertussen met veelbetekenende blikken overgegaan op een ander onderwerp: ‘Heb je wel eens gehoord van “quantum”? Vanwege “quantum” is het onmogelijk de echte werkelijkheid te kennen …’

Zo leer ik het tinderen wel af. Roekoe.

Josien de Bie behaalde haar Master in Biologie aan de Universiteit van Groningen en haar PhD in Neurowetenschap in Sydney. Ze is wetenschapscommunicator, jazz zangeres, standup comedian, oprichtster van genderbrain.com en een woesteling in het de-bunken van gendermythes. Zij zal de komende tijd columns schrijven over haar bezigheden.

Actueel

 

Media-uitingen positief in te zetten bij suicidaliteit
Informatie in media-uitingen kunnen mensen weerhouden van suïcidepogingen, zo blijkt uit onderzoek van het Trimbos-instituut. Positieve rolmodellen die vertellen over hun herstel, positieve framing van hulpzoekgedrag en informatie bieden over waar en hoe hulp beschikbaar is, stimuleren het hulpzoekgedrag en kunnen op deze manier bijdragen aan het terugdringen van het groeiend aantal suïcidepogingen.
Tot nu toe is de aandacht met name uitgegaan naar de negatieve gevolgen van media-uitingen, waaronder nieuwsberichten over een overlijden door suïcide. Maar liefst 26 procenten van de nieuwsberichten blijkt echter ook informatie te bevatten die hulpzoekgedrag zou kunnen stimuleren. Het Trimbos-instituut adviseert om mediaprofessionals bewuster te maken van de effecten van hun berichtgeving. Bron: Trimbos instituut

Verbeterd groepsklimaat door monitoring
Het monitoren van het groepsklimaat in de residentiële jeugdzorg levert een positieve bijdrage aan het groepsklimaat, aldus onderzoek van Eefje Strijbosch. Strijbosch ontwikkelde hiertoe een korte groepsklimaat vragenlijst (Group Climate Instrument for Children) voor kinderen van 4 tot 15 jaar. Hoewel residentiële plaatsing vaak minder positieve uitkomsten geeft voor kinderen, is dit voor sommige kinderen noodzakelijk. Het gaat dan met name om kinderen bij wie de problematiek te ernstig is om in een reguliere opvoedsetting te behandelen. Voor deze groep blijkt dat een positief of open groepsklimaat gerelateerd is aan betere uitkomsten.
Het onderzoek van Strijbosch geeft tevens belangrijke informatie welke onderwerpen kinderen belangrijk vinden in het groepsklimaat: reacties van pedagogisch medewerkers op boosheid en agressie, het belang van ondersteuning bieden op de juiste momenten om negatieve incidenten te voorkomen, de mate waarin kinderen en medewerkers zich aan de regels houden, onderling vertrouwen, grootte van de groep, en aandacht voor het doen van leuke dingen.
Strijbosch adviseert om monitoring flexibel en gepersonaliseerd te maken, zodat pedagogisch medewerkers zich blijvend bewust zijn van het heersende groepsklimaat en deze in groepsgesprekken kunnen bespreken. Bron: Universiteit van Amsterdam

Focus op stressoren laat opvoedingsondersteuning beter aansluiten bij andere culturen
In opvoedingsondersteuning aan ouders met een andere sociaal-culturele achtergrond dient meer aandacht te komen voor contextuele stressoren. Tot deze conclusie komt Krista van Mourik. Ouders met een andere sociaal-culturele achtergrond maken niet alleen minder vaak gebruik van opvoedinterventies, ook de effecten van de interventies zijn minder gunstig.
Door meer in te zetten op de behoeftes van ouders, waaronder omgaan met stress en niet-helpende emoties, kunnen ouders beter geholpen worden. Volgens van Mourik is niveau 4 oudercursus Triple P hiervoor de meest geschikte interventie, omdat deze op inhoud kan worden aangepast aan culturele, sociale en contextfactoren.
Van Mourik ontwikkelde eveneens een module gericht op het verminderen van stress op de opvoeding. De combinatie van de interventie en de module wordt positief beoordeeld door zowel ouders als aanbieders. Van Mourik raad professionals aan om meer aandacht te besteden aan stress en coping bij ouders met een andere sociaal-culturele achtergrond. Bron: Universiteit van Leiden

Edities 2018

september | oktober | november/december