Nieuwsupdate juni 2019

Wilt u in de toekomst ook de nieuwsupdate van TvO ontvangen? Klik hier en schrijf u dan gelijk in!


Column: De waarde van ervaringsdeskundigheid bij suïcidepreventie 

In de GGZ is er toenemende aandacht voor suïcidepreventie. Hierbij is de inbreng van mensen die zelf last hebben gehad van suïcidaliteit en opgeleid zijn tot ervaringsdeskundige mogelijk van waarde.

De inzet van ervaringsdeskundigen is in Nederland nog niet erg gebruikelijk, maar de beroepsgroep van ervaringsdeskundigen groeit. Bovendien is er de laatste jaren grote belangstelling voor herstelgerichte zorg en zien we dat enkele GGZ-instellingen daar ervaringsdeskundigen voor inzetten. Ook komen er steeds meer zorgopleidingen die zich specifiek op ervaringsdeskundigen richten.
In onze studie, uitgevoerd aan de Rijksuniversiteit Groningen, verkenden wij hoe ervaringsdeskundigen momenteel bijdragen aan suïcidepreventie binnen de GGZ en op welke wijze hun rol zich onderscheidt van de meer ‘traditionele’ rollen en GGZ-diensten die worden aangeboden door psychiaters, psychologen of verpleegkundigen. Resultaten van 85 interviews bij geïnterviewde ervaringsdeskundigen, (voormalig) suïcidale zorggebruikers, hulpverleners en opleiders/studenten ervaringsdeskundigheid laten zien dat er opvallend veel eenstemmigheid is over wat de unieke functie is van een ervaringsdeskundige bij suïcidepreventie. 
De meerwaarde ervan ligt vooral op het vlak van menselijk contact. Daarnaast wordt het beschikken over gedeelde ervaringen met suïcidaliteit als meerwaarde gezien. Met andere woorden: erkenning en herkenning bij het (hebben gehad van) een doodswens maakt ervaringsdeskundigen waardevol.
Contact maken met een suïcidaal persoon en praten over suïcide luistert nauw; sommige suïcidale cliënten gaven aan zich beter gehoord en begrepen te voelen door ervaringsdeskundigen dan door reguliere hulpverleners. Voor deze cliënten gold dat hun schaamte en het ongemak van stigma en taboe in het contact met een ervaringsdeskundige makkelijker te overwinnen waren. Daarnaast hadden sommige suïcidale personen meer motivatie voor of hoop op herstel na een dergelijk contact.
Wel bleken alle partijen het belangrijk te vinden dat de nadruk niet te sterk lag op het eigen verhaal van de ervaringsdeskundige. Een open, niet oordelende en niet primair ‘hulpverlenende’ rol en houding, evenals het in samenspraak de wens en mogelijkheden tot herstel verkennen, werden vaak genoemd. Tegelijkertijd vonden de verschillende partijen het bespreken van praktische en sociale hulp en praten over zingevingsvragen zinvol. Dit waren aspecten waar ‘reguliere’ hulpverleners volgens de geïnterviewde deelnemers minder goed aan toe kwamen.
Toch zijn er ook valkuilen bij de inzet van ervaringsdeskundigen. Het merendeel van de geïnterviewden (ongeacht rol of functie) was het erover eens dat het contact tussen een ervaringsdeskundige en een suïcidale cliënt belastend kan zijn voor de ervaringsdeskundige zelf als hij of zij onvoldoende hersteld is. Overigens verschillen de meningen over welk niveau hiervoor afdoende is: doorgaans werden aspecten genoemd zoals afwezigheid van acute suïcidale crisissen, afwezigheid van hulpvragen rondom eigen suïcidaliteitsvragen, relatief weinig ziekteverzuim hebben, en voldoende afstand hebben tot het eigen verhaal en eventuele negatieve ervaringen met de GGZ. In de praktijk bleek dit echter niet altijd het geval te zijn. In enkele situaties was er zelfs sprake van hernieuwde suïcidaliteit of wanhoop bij ervaringsdeskundigen als gevolg van hun werkzaamheden.
Anderzijds werd ook gesignaleerd dat de ervaringsdeskundige weinig vertrouwen kreeg en/of te maken had met een negatieve insteek van niet-ervaringsdeskundige collega’s in de GGZ. Goede onderlinge communicatie tussen ervaringsdeskundigen en collega’s lijkt in dit opzicht van cruciaal belang te zijn voor het verhelderen van verwachtingen, het bepalen van grenzen in de rollen en het omgaan met de mentale belasting. Dat maakt het dan ook wenselijk dat  er meer dialoog, scholing en intervisie van ervaringsdeskundigen en hun niet-ervaringsdeskundige collega’s komt. Voor ervaringsdeskundigen betekent dat scholing in het bespreekbaar maken van de eigen kwetsbaarheid, het op constructieve wijze samenwerken met collega’s en het reflecteren op professionaliteit. Andersom is er ook een veranderslag bij hun collega’s noodzakelijk: zij zouden meer moeite mogen doen om de unieke insteek van ervaringsdeskundigheid te leren kennen en waarderen, en de ervaringsdeskundigen vertrouwen geven. Een eerste stap daartoe is gezet met het ontwikkelen van een basiscurriculum ‘Suïcidepreventie door ervaringsdeskundigen’, te vinden op www.rug.nl/gmw/ervaringsuicide. Hier is eveneens meer informatie te vinden over de ervaringsdeskundigen die zich structureel inzetten op dit thema en over initiatieven die er op dit gebied zijn.

Dr. Diana van Bergen is Universitair Docent bij de afdeling Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij doet onderzoek naar suïcidaliteit, suïcidepreventie en ervaringsdeskundigheid.
Dr. Annemiek huisman heeft meer dan 10 jaar onderzoek gedaan naar suïcide en suïcidepreventie in de GGZ, onder meer naar jongeren, maar ook naar ervaringsdeskundigheid. Momenteel werkt zij als psycholoog bij de HSK groep te Alkmaar.


Actueel 

Kwaliteit samenwerking beïnvloedt behandelresultaat
Hoe beter de samenwerking of alliantie tussen hulpverlener en ouder, hoe beter het behandelresultaat van de ambulante hulpverlening. Dat blijkt uit het onderzoek waarop Marieke de Greef, onderzoeker bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, op 22 mei promoveerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Een alliantie is een professionele 'samenwerkingsrelatie' waarbij het 'klikt' tussen ouders en hulpverlener. Ook is er overeenstemming over de doelen en aanpak van de ondersteuning of hulp. Volgens De Greef draagt een goede samenwerking tussen ouders en hulpverleners positief bij aan de effectiviteit van ambulante gezinshulpverlening.
Allianties waren vaak beter als de ouders niet eerder vergelijkbare hulp hebben gehad en als ouders en hulpverleners positieve verwachtingen hebben. Daarom is het zinvol om de ervaring van ouders met eerdere hulpverlening en hun verwachtingen te bespreken. Overigens ervaren ouders de kwaliteit van de samenwerking vaak anders dan hulpverleners. Daarom is het volgens De Greef belangrijk dat hulpverleners nagaan hoe ouders de samenwerking ervaren, feedback vragen en eventueel verbeteringen doorvoeren.
Inge Bastiaanssen, medewerker van het Nederlands Jeugdinstituut: 'Een goede alliantie is een belangrijke voorwaarde voor het bereiken van resultaten met kinderen en gezinnen. Naast dat het persoonlijk moet klikken, is het ook belangrijk om samen te beslissen over passende hulp. Waarbij je ook de juiste interventies of elementen van interventies moet inzetten om het probleem gericht op te lossen. Want wanneer je niet gericht intervenieert, kan dit weer een negatieve uitwerking hebben op de werkrelatie en het uiteindelijke resultaat. Uit wetenschappelijk onderzoek, de praktijk en ervaringen van jongeren en ouders blijkt dat alleen een goede band tussen professionals, kinderen en ouders niet genoeg is om resultaten te bereiken.' Klik hier voor het proefschrift. 

Bron: NJI & Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN)

Jeugdzorgplus maakt werk van terugdringen vrijheidsbeperkende maatregelen
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) deed onderzoek naar het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen in de Jeugdzorgplus. De inspectie constateert dat het proces van terugdringen volop in ontwikkeling is, maar dat er ook factoren zijn die dit proces belemmeren.
In het eerste kwartaal van 2019 deed de inspectie inventariserend onderzoek naar het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen bij veertien locaties van Jeugdzorgplus instellingen. Daarbij sprak de inspectie met 54 jeugdigen. Alle onderzochte instellingen werken aan een leefklimaat dat meer gericht is op de ontwikkeling van jeugdigen en waarbij minder vrijheidsbeperkende maatregelen worden toegepast. Uit het onderzoek komt naar voren dat het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen volop in ontwikkeling is. Hoe ver instellingen daarmee zijn verschilt, vaak zelfs tussen groepen binnen één instelling. Instellingen hebben zelf invloed op factoren als de organisatiecultuur en de invoering van een bepaalde methodiek.  De oplossing voor andere factoren ligt deels buiten de instellingen, zoals invloed op de groepsgrootte door beperkte financiële middelen.

Ontwikkelingsgericht klimaat
Het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen is onderdeel van het inspectieprogramma ‘Ontwikkelingsgericht klimaat’ voor de komende drie jaar, waarbij in het toezicht een opbouw plaatsvindt van stimuleren naar handhaven. Het inventariserend onderzoek vormde een eerste stap in het toezicht op de toepassing en het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen. De onderzoeksresultaten bieden de betrokken partijen inzicht in de stand van zaken en vooral in de factoren die het proces van terugdringen belemmeren. 

Gezamenlijke opdracht tot ontwikkeling
Op grond van de onderzoeksresultaten ziet de inspectie een gezamenlijke opdracht voor het rijk, de gemeenten, de brancheorganisaties en de instellingen om te werken aan de voorwaarden voor een ontwikkelingsgericht klimaat. Met het actieplan ‘De best passende zorg voor kwetsbare jongeren’ van april 2019 is een eerste stap gezet in deze gezamenlijke opdracht. De inspectie verwacht dat betrokken partijen het plan concretiseren en voortvarend uitvoeren.

Bron: igz.nl

Vernieuwde praktijkstandaard ‘Tics bij kinderen en adolescenten’
De expertgroep Tics werkte de afgelopen maanden aan de actualisatie van de praktijkstandaard ‘Tics bij kinderen en adolescenten’. Hierin vindt u de laatste inzichten over het klinisch beeld, de etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, beloop en prognose. Ook is ervaringskennis vanuit de Ervaringsraad van het Kenniscentrum in de teksten meegenomen. De expertgroep Tics werkt op dit moment nog aan de actualisatie van het hoofdstuk over medicatie.
In de praktijkstandaard vindt u ook een link naar het recent verschenen Handboek Gilles de la Tourette, waaraan verschillende leden van de expertgroep hebben meegeschreven. Dit langverwachte handboek werd op 7 juni, Europese Tourettedag, gepresenteerd tijdens een middagsymposium over deze problematiek. Klik hier en bekijk de praktijkstandaard.

Bron: Kenniscentrum KJP

Autisme bij het jonge kind (promotie)
Een autisme spectrum stoornis (ASS) wordt in Nederland vastgesteld rond de leeftijd van 5 jaar. Onderzoek toont echter aan dat vroege behandeling, vóór de leeftijd van 30 maanden, op langere termijn veel winst oplevert. Het proefschrift Mirjam Pijl pleit daarom voor het vergroten van kennis over de uiting van ASS gedurende de eerste levensjaren.
Het proefschrift toont aan dat kinderen met een familiair verhoogd risico op ASS al met een leeftijd van 10 maanden in mindere mate contact lijken te initiëren naar hun ouders. Ook blijkt dat bij hoog-risico kinderen met een makkelijk temperament (m.a.w. regulatieve capaciteiten) de kans klein is dat zich ASS ontwikkeld. Verder blijkt dat een specifiek programma gericht op de vroege signalering van ASS effectief is gedurende de implementatie, met name voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand. Echter, actieve investering blijkt nodig om het positieve effect te behouden op de langere termijn. Ten slotte lijkt een nieuw ontwikkelde uitkomstmaat, de Brief Observation of Social Communication Change (BOSCC), beter in staat subtiele veranderingen in ASS symptomen over tijd te meten dan de uitkomstmaat die tot op heden in interventiestudies wordt toegepast. Dit proefschrift draagt algeheel bij aan de screening, diagnostiek en behandeling van het jonge kind met (vermoedens van) ASS. 

Klik hier voor meer informatie.


Edities 2018 - 2019 

september 2018 | oktober 2018 | november/december 2018 | januari 2019 | februari 2019 | maart 2019 | april 2019 | mei 2019