Nieuwsupdate mei 2019


PREVIEW: Column Hersenkrakers

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand ...

Ik herinner me nog heel goed dat ik voor het eerst over het ‘grandmother neuron’ hoorde. Het was op de universiteit, tijdens een receptie. ‘Ja, kennelijk is er één neuron waar je oma in is opgeslagen. Als je dat neuron verliest, herken je haar niet meer.’ Dat verhaal hoor ik nu, zo’n acht jaar later, nog steeds wel eens op feestjes.

Het was op de universiteit, tijdens een receptie. ‘Ja, kennelijk is er één neuron waar je oma in is opgeslagen. Als je dat neuron verliest, herken je haar niet meer.’ Dat verhaal hoor ik nu, zo’n acht jaar later, nog steeds wel eens op feestjes. Vandaag kwam ik erachter dat het ‘grandmother neuron’ een parodie-theorie is van een zekere J.Y. Lettvin. 
Vandaag kwam ik erachter dat het ‘grandmother neuron’ een parodie-theorie is van een zekere J.Y. Lettvin. Het was bedoeld om aan te tonen hoe belachelijk het was om ervan uit te gaan dat alles een-op-een gecodeerd is in het brein. Het ‘grandmother neuron’ bestaat dus helemaal niet, maar zingt nog steeds rond.
Zo is er ook het ‘Jennifer Aniston neuron’, een neuron dat in beschrijving toch wel heel erg lijkt op het ‘grandmother neuron’. Vooral als mevrouw Aniston zelf je oma is. Het zou een neuron zijn dat alleen vuurt als het subject een plaatje van Jennifer Aniston ziet. Het verhaal was, net als de naamgever, extreem mediageniek en is dus alom bekend. Maar bestaat dat neuron wel? Neurobiologen zijn het daar nog lang niet over eens. Het is in elk geval niet zo simpel als het voorgesteld wordt in de algemeen bekende hapklare mediaversie.
Tijd om eens te kijken naar een favoriet van de psychologie: spiegelneuronen. Bij het observeren van gedrag zouden neuronen gaan vuren in het brein van de observator op een vergelijkbare plek als de neuronen die bij de geobserveerde vuren om het gedrag tot stand te brengen. Dus: als ik zwaai, vuren de neuronen die ik nodig heb om te zwaaien, en als jij mij dan ziet zwaaien, zouden bij jou ook de neuronen vuren die je nodig hebt om te zwaaien. Die neuronen zouden dan spiegelneuronen zijn.
Over mediageniek gesproken! Het is een onweerstaanbaar concept en iedereen sprong er dan ook bovenop. Het leek hét antwoord op moeilijke vraagstukken in psychische aandoeningen met beperkingen in het empathisch vermogen. Het is niet onredelijk om te speculeren dat dit ‘spiegelvuren’ ontstaat doordat de observator het gedrag herkent en spiegelneuronen daarmee de fysiologische basis zijn van empathie. Vanuit die theorie lijkt het niet meer dan logisch dat mensen met autisme een defect zouden hebben in (de functie van) hun spiegelneuronen.
Dat verhaal kom je dus tegen in talloze boeken, artikelen en blogs. Er staat nooit bij dat neurobiologen het er helemaal niet zo over eens zijn dat spiegelneuronen daadwerkelijk bestaan. Tot nu toe is het bewijs vooral gebaseerd op fMRI-data. (f)MRI detecteert verhoging of verlaging in bloedtoevoer. De theorie is dat verhoogde bloedtoevoer verhoogde activatie zou betekenen. De data moeten daarvoor eerst woest statistisch getransformeerd worden om überhaupt iets te zien. Maar de plaatjes die gegenereerd worden met fMRI zijn zo mooi dat we soms vergeten dat we alleen bloedtoevoer zien en niet het vuren van neuronen. fMRI kan sowieso geen losse neuronen registreren.
Spiegelneuronen bestaan in ieder geval niet zoals ze meestal gepresenteerd worden: als een specifiek type cellen. Er is waarschijnlijk eerder sprake van een ‘spiegeleigenschap’ die neuronen kunnen hebben. De link met empathie is ook verre van bewezen, laat staan een causaal verband met condities als autisme en dergelijke.
Maar het is zo’n aantrekkelijke theorie en hij past ZO goed!
Hetzelfde speelde bij serotonine en depressie. Depressie zou een tekort aan serotonine moeten zijn. Simpel. Oplosbaar. En dus is er al jaren een oneigenlijke nadruk op serotonine in depressieonderzoek. Alleen, slechts zo’n 30% procent van de patiënten reageert op SSRI’s. Bovendien zie je pas na een paar maanden een effect van die SSRI’s, wat ook niet helemaal klopt met de theorie. Ik weet nog dat mij verteld werd over die zogenaamde ‘serotonine-paradox’. In dezelfde adem werd me verteld dat professoren hun carrière gebouwd hadden op de serotoninetheorie, dus dat daar niet aan getornd mocht worden.
Onlangs kwam ik er geheel per ongeluk achter dat de serotoninetheorie ondertussen achterhaald is. Andrews en collega’s (2015) vonden namelijk dat depressie helemaal niet per se gelinkt is aan een te laag serotoninegehalte Een van de grootste aannames in de depressiebiologie lijkt daarmee onjuist! Waarom is dat niet aan de grote klok gehangen?
Het is voor wetenschappers soms moeilijk loslaten, maar die zijn over het algemeen wel te overtuigen met data. In het algemeen bestel blijven stukjes gedateerde en incorrecte theorie echter veel langer rondzweven, vooral als de theorie aantrekkelijk is. Dat komt niet in de laatste plaats door onze door (social) media beheerste wereld. Daarin worden we namelijk als wetenschappers steeds meer gepusht om onze bevindingen te simplificeren en sensationaliseren. Het is echter gevaarlijk als zo’n gesimplificeerde versie een eigen leven gaat leiden.
Ik vrees dat ons voorland dus een soort ‘mexican stand-off’ wordt met rondzwevende stukjes gedateerde concepten, twitterende nuanceontkenners én vastgeroeste professoren. Daar zouden spiegelneuronen nu juist goed van pas komen.

Josien de Bie behaalde haar Master in Biologie aan de Universiteit van Groningen en haar PhD in Neurowetenschap in Sydney. Ze is wetenschapscommunicator, jazz zangeres, stand-up comedian, oprichtster van genderbrain.com en een woesteling in het de-bunken van gendermythes. Zij schrijft columns over haar bezigheden.


Actueel 

Risicofactoren slachtofferschap seksuele kindermishandeling blijken zeer divers

Veel verschillende factoren spelen een rol in het risico op slachtofferschap van seksuele kindermishandeling. De meest belangrijke risicofactoren blijken betrekking te hebben op ouderkenmerken, gezinskenmerken en kenmerken van de ouder-kind-interactie. Dit blijkt uit een omvangrijke literatuurstudie van forensisch orthopedagogen van de Universiteit van Amsterdam.
De gevolgen voor slachtoffers van seksuele kindermishandeling zijn vaak ernstig en langdurig. Het is daarom heel belangrijk om te voorkomen dat kinderen slachtoffer worden. Om dat goed te kunnen doen is het noodzakelijk dat professionals in de jeugdzorg een juiste taxatie (inschatting) maken van het risico dat een kind loopt om seksueel mishandeld te worden. Deze risicotaxatie moet antwoord geven op de vraag welke kinderen – en hun ouders, en eventuele broertjes en zusjes – zorg nodig hebben. Daarnaast moeten professionals een behoeftetaxatie maken, waarin zij nagaan welke problemen er zijn bij een kind (en in het gezin daaromheen) en dus moeten worden aangepakt om het risico op slachtofferschap te verlagen.
Voor het uitvoeren van goede risico- en behoeftetaxaties is kennis over risicofactoren voor slachtofferschap van seksueel kindermisbruik essentieel. In eerder onderzoek zijn al veel verschillende risicofactoren vastgesteld. Een systematisch overzicht van deze factoren samen met een indicatie van de impact van deze factoren was echter nog niet beschikbaar. Dit nieuwe onderzoek brengt daar verandering in.

Routes tot slachtofferschap
‘Uit eerder onderzoek naar risicofactoren voor fysieke kindermishandeling en -verwaarlozing bleek al dat veel verschillende factoren een rol spelen. Dit blijkt ook te gelden voor het risico op slachtofferschap van seksuele kindermishandeling. Het is niet zo dat er maar een klein aantal risicofactoren voor slachtofferschap bestaat. Er is juist een verscheidenheid aan factoren die, bij aanwezigheid daarvan, het risico op slachtofferschap doet toenemen’, vertelt hoofdauteur Mark Assink. ‘Onze studie bevestigt dit beeld: we zien dat veel verschillende routes kunnen leiden tot slachtofferschap van seksuele kindermishandeling, net als bij andere vormen van kindermishandeling.’

Belangrijke risico’s voor slachtofferschap van seksuele kindermishandeling blijken onder meer te zijn:
- Eerder slachtofferschap van het kind en/of een gezinslid, al dan niet in de vorm van seksuele kindermishandeling;
- Verschillende problemen van ouders, zoals partnergeweld en mentale problemen;
- Opvoedmoeilijkheden en -problemen, zoals een lage kwaliteit van de ouder-kind-relatie en gebrekkige opvoedcompetenties van ouders;
- Een niet-traditionele gezinsstructuur, bijvoorbeeld gezinnen met een stiefvader of een alleenstaande moeder;
- Verschillende gezinsproblemen, bijvoorbeeld het sociaal geïsoleerd zijn van een gezin;
- Diverse kindproblemen, zoals het hebben van lage sociale vaardigheden en/of het lijden aan een chronische mentale of fysieke aandoening.

De resultaten geven aan dat er verschillen zijn in risicofactoren voor de verschillende vormen van kindermishandeling. Assink: ‘Een bepaalde risicofactor kan voor de ene vorm van kindermishandeling belangrijker zijn dan voor een andere vorm. Zo laat onze studie zien dat een aantal kindkenmerken relatief belangrijkere risicofactoren zijn voor slachtofferschap van seksuele kindermishandeling dan voor andere vormen van kindermishandeling.’

Publicatiegegevens: Mark Assink, Claudia E. van der Put, Mandy W.C.M. Meeuwsen, Nynke M. de Jong, Frans J. Oort, Geert-Jan J.M. Stams & Machteld Hoeve: ‘Risk Factors for Child Sexual Abuse Victimization: A Meta-Analytic Review’, in: Psychological Bulletin, 145(5), 459-489 (2019).
Doi: http://dx.doi.org/10.1037/bul0000188

Kan mindfulness kinderen met autismespectrumstoornis helpen?

Anna Ridderinkhof onderzoekt of, waarvoor en hoe kinderen met autismespectrumstoornis (ASS) en hun ouders kunnen profiteren van een op mindfulness gebaseerde training. Zo kijkt ze of het beoefenen van mindfulness empathie kan vergroten, en of de effecten afhankelijk zijn van autistische of narcistische trekken. Daarnaast bestudeert Ridderinkhof de MYmind-training, een training die onder andere aandacht voor het huidige moment cultiveert.
Kinderen met autismespectrumstoornis (ASS) worden gekenmerkt door problemen in de sociale communicatie en interactie, evenals repetitieve, stereotype en beperkte gedragspatronen of interesses. Comorbide stoornissen komen vaak voor; 70% van de kinderen met ASS voldoet aan de criteria voor tenminste één comorbide stoornis, zoals angststoornissen, depressie, aandachts-tekort/hyperactiviteit stoornis (ADHD) en oppositioneel opstandige gedragsstoornis (ODD). De symptomen van kinderen met ASS zijn ook voor hun ouders veeleisend, zoals weerspiegeld in de hoge mate van opvoedingsstress en psychische problemen in ouders van kinderen met ASS. De doelen van de huidige dissertatie waren om te onderzoeken of, waarvoor, en hoe kinderen met ASS en hun ouders zouden kunnen profiteren van een op mindfulness-gebaseerde training.
Over het geheel genomen duiden de bevindingen in dit proefschrift aan dat het cultiveren van mindfulness behulpzaam kan zijn voor gezinnen in het omgaan met ASS en de daaraan geassocieerde moeilijkheden. Sociale responsiviteitsproblemen en comorbide internaliserende en externaliserende symptomen van de kinderen waren afgenomen na de MYmind training en ouderlijke psychische gezondheid en ouderschap was verbeterd. Kinderen en ouders ervoeren meervoudige processen die leiden tot verandering. Het moet echter worden opgemerkt dat het empirisch bewijs voor de training in de beginnende fase is en dat de positieve effecten slechts in beperkte mate werden ondersteund met een objectieve meting van aandacht. Bovendien leken niet alle kinderen te profiteren van de MYmind training.
Gebaseerd op de bevindingen in het huidige proefschrift kunnen toekomstige studies de specificiteit van de effecten van een mindfulness training voor kinderen met ASS en hun ouders onderzoeken, de potentiele factoren die de effecten van de training mogelijk beïnvloeden systematisch onderzoeken en een volgende stap zetten in het onderzoek naar hoe kinderen met ASS en hun ouders profiteren van een mindfulness training.

Bron: uva.nl

Kleine groep heeft veel baat bij Incredible Years

De interventie Incredible Years heeft vooral langdurige effecten bij gezinnen met grote gedrags- en opvoedproblemen. Dat blijkt uit onderzoek waarop Jolien van Aar op 16 mei promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam.
Incredible Years is een interventie voor gezinnen waar een negatief interactiepatroon bestaat tussen boos en opstandig gedrag van een jong kind en hard en inconsistent opvoedgedrag van ouders. Van Aar vergeleek 190 gezinnen die de interventie kregen met een iets grotere controlegroep die de interventie niet kreeg, maar in veel gevallen wel hulp of speciaal onderwijs. In vergelijking met de controlegroep verminderde bij de interventiegroep op de korte termijn het boze en opstandige gedrag. Die resultaten beklijven, constateerde Van Aar: na 2,5 jaar is de vermindering nog steeds zichtbaar.
Van Aar wilde weten of er subgroepen zijn waar de langetermijneffecten beter zijn dan gemiddeld. Bij 18 procent van de gezinnen zag ze een groot verschil met de controlegroep; dit waren de gezinnen die hoog scoorden op hard en inconsistent opvoedgedrag en boos en opstandig gedrag van het kind. Bij de overige 82 procent was er juist geen langetermijnverschil met de controlegroep. De interventie is dus vooral effectief voor gezinnen die de hulp het hardst nodig hebben, concludeert Van Aar.

Bronnen: Nederlands Jeugdinstituut; uva.nl

De Jonge wil leeftijdsgrens gezinshuizen verruimen

Minister Hugo de Jonge van VWS wil de leeftijdsgrenzen voor jongeren in gezinshuizen verruimen. Dat schrijft hij in een brief over gezinshuizen aan de Tweede Kamer. Vorig jaar werd de leeftijdsgrens voor jongeren in de pleegzorg al verhoogd naar 21 jaar.
De leeftijd waarop jongeren in een gezinshuis toe zijn aan zelfstandigheid verschilt, aldus De Jonge. Bij jongeren en gezinshuisouders bestaat dan ook de behoefte om de gezinshuisplek na de 18e verjaardag nog een tijdje te kunnen continueren. De Jonge wil met de VNG afspraken maken over de verruiming van de leeftijdsgrens. De financiële gevolgen daarvan neemt hij mee in de Voorjaarsnota.
Mariska de Baat van het Nederlands Jeugdinstituut juicht het voornemen van de minister toe. 'Deze jongeren hebben vaak een onveilig en problematisch verleden en hebben al op meerdere plekken gewoond. Als je weet dat Nederlandse jongeren gemiddeld op hun 24e uit huis gaan, kun je van deze jongeren niet verwachten dat zij eerder op eigen benen kunnen staan. Integendeel, zij hebben vaak behoefte aan extra ondersteuning.'
Uit onderzoek is bekend dat verruiming van de leeftijdsgrens veel leed, en daarmee maatschappelijke kosten, kan voorkomen. Een kind dat te vroeg uit huis gaat, loopt een verhoogd risico op schooluitval, werkloosheid, schulden, verslaving, dakloosheid en verkeerde vrienden. De Baat: 'Door een hogere leeftijdsgrens krijgen jongeren meer tijd om hun opleiding af te maken en zich op hun toekomst voor te bereiden. Het is dan wel zaak dat gezinshuisouders en professionals hen daarbij ondersteunen.'

Bronnen: Nederlands Jeugdinstituut; Ministerie van VWS


Edities 2018 - 2019 

september 2018 | oktober 2018 | november/december 2018 | januari 2019 | februari 2019 | maart 2019 | april 2019